Bulletineke Justitia
U bent hier:

Als de wet achterblijft: de rol van de rechter in moderne gezinnen

Als de wet achterblijft: de rol van de rechter in moderne gezinnen

Drie ouders die samen een kind opvoeden, een draagmoeder in het buitenland, een transgender ouder die juridisch niet als ouder wordt erkend; het zijn geen uitzonderingen meer, maar maatschappelijke realiteiten. Toch past het Nederlandse familierecht deze gezinnen nog altijd in een juridisch tweepersonenbeeld. De wet is geschreven voor een gezin dat allang niet meer de norm is.

Wanneer de wet achterloopt op de samenleving, ontstaat een spanningsveld. Want wie vult de kloof tussen sociale werkelijkheid en wettelijke regeling? De wetgever, die vaak traag en politiek gebonden opereert? Of de rechter, die in concrete zaken geconfronteerd wordt met gezinnen die nú rechtsbescherming nodig hebben?

In het familierecht wordt die vraag steeds urgenter. Hoever mag de rechter gaan in het “meebewegen” met maatschappelijke ontwikkelingen? En wanneer wordt interpretatie feitelijk modernisering? In dat spanningsveld tussen realiteit, rechtsvorming en constitutionele grenzen ligt de kern van dit artikel.

Maatschappelijke realiteit

Het Nederlandse afstammingsrecht gaat nog altijd uit van een tweepersonenmodel: een kind kan juridisch maximaal twee ouders hebben.[1] Dat model sluit echter steeds minder vanzelfsprekend aan bij de sociale werkelijkheid. In meeroudergezinnen, bijvoorbeeld regenbooggezinnen of langdurige co-ouderschapsconstructies, vervullen soms drie of vier volwassenen een structurele opvoedingsrol. Toch kan slechts een beperkt aantal van hen juridisch ouder worden of met gezag belast zijn.[2] De derde ouder blijft daarmee juridisch buiten beeld.

Ook bij draagmoederschap wringt het systeem. De vrouw uit wie het kind wordt geboren, geldt van rechtswege als moeder, ongeacht de vooraf gemaakte afspraken.[3] Wensouders zijn aangewezen op adoptie of erkenning achteraf, wat leidt tot een periode van juridische onzekerheid. In de praktijk ontstaat zo een discrepantie tussen feitelijk gezinsleven en juridische erkenning.

Deze spanning is niet alleen theoretisch. In literatuur en beleid wordt al langer gewezen op de noodzaak het familierecht aan te passen aan pluriforme gezinsvormen.[4] Wanneer wetgeving uitblijft, verschuift de druk naar de rechter, die in individuele zaken wordt geconfronteerd met gezinnen die niet in het wettelijke kader worden benoemd. Zo wordt duidelijk dat rechterlijke modernisering niet alleen een theoretische discussie is, maar een praktische kwestie voor gezinnen.

De rechter als rechtsvormer

Wanneer de wet niet expliciet voorziet in nieuwe gezinsvormen, komt de rechter in beeld. In het familierecht beschikt hij over aanzienlijke interpretatieruimte door het gebruik van open normen. Begrippen als “het belang van het kind” en de geschillenregeling bij gezamenlijk gezag laten ruimte voor contextuele afwegingen.[5] Via uitleg en belangenafweging kan de rechter het recht laten meebewegen met maatschappelijke ontwikkelingen, zonder de wet formeel te wijzigen.

Daarnaast speelt het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) een belangrijke rol. Het recht op eerbiediging van privé-, familie- en gezinsleven heeft in de rechtspraak van het Europees Hof van de Rechten van de Mens geleid tot positieve verplichtingen voor staten om feitelijke gezinsbanden juridisch te erkennen.[6] Ook de Hoge Raad heeft geoordeeld dat nationale bepalingen in overeenstemming met het EVRM moeten worden uitgelegd.[7] Daarmee fungeert het mensenrechtenkader als katalysator voor rechtsontwikkeling binnen het bestaande wettelijke systeem.

De grens tussen interpretatie en rechtsvorming is echter dun. Ruime interpretatie kan ertoe leiden dat de rechter nieuwe rechtsposities toestaat, wat neerkomt op modernisering. De vraag is dan of deze rechtsvinding van de rechter nog past binnen het systeem van de wet. In een rechtsgebied dat zo nauw verbonden is met maatschappelijke waarden, is dat onderscheid van fundamenteel belang.

Constitutionele grenzen

Hoewel de rechter via interpretatie de ruimte heeft om het familierecht te laten meebewegen, is die ruimte niet onbeperkt. In het Nederlandse staatsrecht is de wetgever de primaire normsteller.[8] Ingrijpende keuzes over afstamming, ouderschap en gezagsverhoudingen raken fundamentele maatschappelijke waarden en behoren in beginsel tot de taak van de wetgever. Dat volgt uit het uitgangspunt van de trias politica en uit de constitutionele positie van de rechter: op grond van artikel 120 van de Grondwet mag hij wetten in formele zin niet aan de Grondwet toetsen.[9] Interventie door de rechter die structurele verandering tot gevolg heeft, kan de scheiding der machten en de rechtszekerheid onder druk zetten.[10]

Tegelijkertijd kan volledige terughoudendheid leiden tot onvoldoende rechtsbescherming. Vooral wanneer fundamentele rechten op het spel staan, ontstaat een spanningsveld tussen democratische legitimatie en effectieve bescherming van gezinnen. In die context moet de rechter zorgvuldig afwegen hoe hij zijn rol invult.

Noodzakelijke rechtsbescherming of ongewenst activisme?

De kernvraag is uiteindelijk normatief: wat mag de rechter doen wanneer de wetgever achterblijft, maar fundamentele belangen wel onmiddellijk beschermd dienen te worden? In het familierecht gaat het zelden om abstracte belangen, maar om concrete belangen van ouders en kinderen met een onzekere rechtspositie. Volledige terughoudendheid kan dan betekenen dat feitelijk gezinsleven onvoldoende erkenning krijgt, terwijl artikel 8 EVRM juist bescherming biedt aan bestaande familiebanden.[11]

Daar staat tegenover dat structurele aanpassingen van het familierecht via de rechter naar mijn mening het risico van activisme oproepen. Wanneer rechterlijke interpretatie leidt tot nieuwe rechtsposities die de wetgever bewust (nog) niet heeft ingevoerd, verschuift de grens tussen rechtsvinding en rechtsschepping.

De vraag is dus niet of de rechter invloed heeft op de ontwikkeling van het familierecht, maar hoe ver die invloed mag gaan. Naar mijn mening ligt de balans als volgt: de rechter mag binnen constitutionele grenzen interpretatie en verdragsconforme uitleg gebruiken om valkuilen in individuele gevallen op te vullen, zodat kinderen en ouders in juridische onzekerheid bescherming krijgen, maar hij mag het systeem niet structureel herzien.

Conclusie

Het familierecht staat voor een dilemma: de wet blijft vaak achter op de realiteit van moderne gezinnen, terwijl fundamentele rechten en het belang van het kind bescherming verdienen. De rechter mag het systeem niet herschrijven, maar kan binnen constitutionele grenzen wel ruimte gebruiken om valkuilen op te vullen via interpretatie en verdragsconforme uitleg. Volgens mij is dat precies de rol die de rechter in het huidige familierecht hoort te vervullen: geen activistische hervormer, maar een bewaker van rechtsbescherming wanneer de wet blijkt achter te blijven.

Een mogelijke oplossing is dat de wetgever eerder wettelijke regels aanpast. Bijvoorbeeld door meeroudergezag in te voeren en duidelijke afspraken te maken over draagmoederschap en transgender ouderschap. Zo sluiten wet en sociale realiteit beter op elkaar aan en weten gezinnen waar ze aan toe zijn. Het is belangrijk dat de regels duidelijk zijn en dat bestaande gezinnen niet in onzekerheid blijven. De rechter blijft in dit systeem nodig om in individuele gevallen te zorgen dat kinderen en ouders beschermd worden wanneer de wet daarin achterblijft. Zo ontstaat een goede balans: de wetgever bepaalt de regels, en de rechter beschermt mensen binnen die regels.

[1] Art. 1:198 Bw.

[2] Art. 1:251 Bw jo. 1:253c Bw.

[3] Art. 1:198 lid 1 Bw.

[4] Kind en ouders in de 21ste eeuw 2016.

[5] Art. 1:247 Bw; Art. 1:253a Bw.

[6] EHRM 26 juni 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:0626JUD006519211 (Mennesson/Frankrijk); Art. 8 EVRM.

[7] HR 21 maart 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC5901.

[8] Westenbroek 2017, p. 2.3.2.

[9] Westenbroek 2017, p. 2.3.2; Art. 120 Gw.

[10] 14 april 1989, ECLI:NL:HR:1989:AD5725 (Harmonisatiewet).

[11] Art. 8 EVRM.