Oneigenlijke vermenging, een oneigenlijk probleem?

Door: ,

Na de aankondiging van de intelligente lockdown wisten de supermarkten niet hoe snel zij zich met nieuwe rollen toiletpapier en desinfecterende handgel moesten bevoorraden. Maar wat nu als onder eigendomsvoorbehoud geleverde handgel van een leverancier – laten wij hem ‘Clean & Co’ noemen – oneigenlijk vermengd raakt met handgel die wel al eigendom is van supermarkt ‘De Kassa Knaller’? Het leerstuk van oneigenlijke vermenging doet bij menig student een gevoel van onrechtvaardigheid opkomen. Hoe zat het ook alweer? 

Wanneer onder eigendomsvoorbehoud geleverde roerende zaken van een leverancier met soortgelijke zaken van de koper vermengd raken op een wijze die maakt dat zij niet meer individualiseerbaar zijn, maar ook niet één zaak vormen, zijn zij oneigenlijk vermengd. De leverancier kan deze zaken dan niet revindiceren, omdat de zaken niet individualiseerbaar zijn.[1] Door de bewijsvermoedens van artikel 3:109 en artikel 3:119 BW wordt de koper vermoed rechthebbende te zijn.[2] Met name in faillissement van de houder is dit een probleem. Buiten faillissement kan een verbintenisrechtelijke vordering tot betaling van een geldsom uitkomst bieden aan de leverancier, maar binnen faillissement niet.[3] Staat Clean & Co letterlijk én figuurlijk met lege handen of kan het bewijsrecht hem wellicht ten goede komen bij het instellen van zijn revindicatievordering? 

Bewijsrechtelijke perikelen
Clean & Co moet op grond van art. 150 Rv stellen en – bij voldoende betwisting door Kassa Knaller – bewijzen dat de geleverde zaken zijn eigendom zijn.[4] Kassa Knaller kan zijn betwisting staven met een beroep op de bewijsvermoedens uit de artikelen 3:109 en 3:119 BW. De vermoedens bewerkstelligen dat de supermarkt wordt vermoed rechthebbende te zijn.[5] Waar de wet zwijgt over een bewijswaarderingsmaatstaf, wordt in de literatuur aangenomen dat de rechter een ‘redelijke mate van zekerheid’ omtrent de juistheid van een feit moet hebben om het voor waar aan te nemen.[6] Giesen koppelt in zijn proefschrift een percentage van 75% waarschijnlijkheid aan deze redelijke mate van zekerheid.[7] Algemeen genomen lijkt het koppelen van een percentage van waarschijnlijkheid aan de redelijke mate zekerheid een onzinnige bezigheid. Wanneer A stelt een overeenkomst te hebben met B kan de rechter deze stelling immers niet bewezen achten enkel omdat dit in 75% van de gevallen waar is.[8] Het lijkt mij dat het koppelen van een percentage aan de redelijke mate van zekerheid in een geval van oneigenlijke vermenging juist praktisch hanteerbaar kan zijn. 

Een wiskundige remedie?
‘Juristen kunnen niet rekenen.’ zegt men vaak. Laten wij tegendraads zijn en toch een poging doen. Stel dat Clean & Co 90 flesjes handgel onder eigendomsvoorbehoud levert aan Kassa Knaller. Op dat moment had Kassa Knaller vanwege hamsterende boodschappenfanaten nog slechts 10 flesjes handgel in zijn magazijn liggen. Kassa Knaller gaat failliet en Clean & Co wil zijn handgel revindiceren. Zoals gebleken moet hij daarvoor de flesjes handgel individualiseren. Wanneer één flesje wordt aangewezen is de kans dat deze aan Clean & Co toebehoort (90/100) 90%. Voor het tweede flesje is deze kans (89/99) 89%. Nu 90% en 89% groter zijn dan 75% bestaat ten aanzien van de eerste twee flesjes een redelijke mate van zekerheid dat zij eigendom van Clean & Co zijn.[9] Mijns inziens kan deze benadering worden gevolgd totdat de kans dat een bepaald door Clean & Co aangewezen flesje aan hem toebehoort kleiner is dan 75%. In het gegeven voorbeeld zal dit het geval zijn bij het 61e flesje. De kans dat het 61eflesje eigendom is van Clean & Co is immers (29/39) 74%. Ik zou menen dat het voor Clean & Co mogelijk is 60 van de geleverde flesjes te revindiceren, omdat voor die 60 flesjes met een redelijke mate van zekerheid vaststaan dat zij aan hem toebehoren.

In deze benadering wordt uitgegaan van een vaste voorraad bij Kassa Knaller. Ook wanneer sprake is van een wisselende voorraad kan deze benadering echter worden toegepast, zij het dat dan eerst moet worden vastgesteld dat Clean & Co überhaupt een eigendomsrecht heeft op een X-aantal flesjes handgel. Deze vraag staat los van de vraag of het eigendomsrecht kan worden geïndividualiseerd. Hoe problematisch een wisselende voorraad is hangt af van verschillende factoren. Te denken valt aan de deugdelijkheid van de voorraadadministratie, de tijdstippen van leveranties, de volgorde van vervreemdingen, het aantal leveranciers en het aantal geleverde zaken.[10] Wat betreft de volgorde van leveranties en vervreemdingen denke men bijvoorbeeld aan de wijze van voorraadbeheer. De ene koper zal een ‘first in, first out’-systeem (FIFO) hanteren, terwijl de andere koper gebruik maakt van een ‘last in, firstout’-systeem (LIFO).[11] Afhankelijk van al deze concrete omstandigheden zal het voor een leverancier in het ene geval makkelijker en het andere geval moeilijker zijn om te bewijzen dat zijn eigendomsrecht bestaat.[12]

Afrondend
Ik ben geneigd te denken dat de rechter een revindicatievordering van een eigenaar van oneigenlijk vermengde zaken kan toewijzen voor het aantal zaken waarvan de kans 75% of hoger is dat zij aan de leverancier toebehoren. Opgemerkt zij wel dat het bij deze benadering voor de leverancier onmogelijk is al zijn oneigenlijk vermengde zaken te revindiceren. Niet voor alle door hem geleverde zaken bestaat immers een kans van 75% dat zij aan hem toebehoren. Een perfecte oplossing is het zeker niet. Wellicht is het tijd voor de wetgever om met een vaccin te komen tegen de problematiek rond oneigenlijke vermenging.


[1] Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/124; Snijders & Rank-Berenschot, Goederenrecht (SBR 2), 2017/287; Reehuis & Heisterkamp, Pitlo Goederenrecht 2019/516; ECLI:NL:HR:1998:ZC2796, NJ 1999/549, m.nt. W.M. Kleijn (Potharst/Serrée); HR 12 januari 1968, ECLI:NL:HR:1986:AC2286, NJ 1968/274, m.nt. H. Drion (Teixeira de Mattos).

[2] Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/124; Snijders & Rank-Berenschot, Goederenrecht (SBR 2), 2017/287.

[3] Fesevur, NTBR 2001/10, p. 507; Smelt, AA 2003, p. 348; Verstijlen 2002, p. 462.

[4] Asser Procesrecht/Asser 3 2017/287-288; Klaassen, Meijer & Snijders, Nederlands burgerlijk procesrecht 2017/211; Geurts, Zekerheid voor leverancierskrediet (O&R nr. 117) 2019/10.2.1; Verheul, Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties)2018/7.4.2.

[5] Asser/Bartels & Van Mierlo 3-IV 2013/123; Geurts, Zekerheid voor leverancierskrediet (O&R nr. 117) 2019/10.2.1; Verheul, Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/7.4.2; Wichers 2002, p. 151; Verheul & Verstijlen 2016, p. 107; Verstijlen 2002, p. 458.

[6] Klaassen, Meijer & Snijders, Nederlands burgerlijk procesrecht 2017/199; Asser 2004, p. 31; Asser Procesrecht/Asser 3 2017/264; De Bock, Tussen waarheid en onzekerheid (BPP nr. XI) 2011/5.4.

[7] Giesen 2001, p. 59.

[8] De Bock, Tussen waarheid en onzekerheid (BPP nr. XI) 2011/5.5.

[9] Verstijlen 2002, p. 470-474 introduceert deze benadering maar lijkt ervan uit te gaan dat de kans dat een individueel flesje van Clean & Co is, niet kleiner wordt wanneer voor het eerste flesje is vastgesteld dat hij van Clean & Co is. De reden die hij hiervoor lijkt te geven is het feit dat sprake is van één revindicatievordering. Hij spreekt in dit kader van een proportionele benadering. Ik meen dat weldegelijk sprake is van een kleiner wordende kans.

[10] Verheul, Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/7.4.2.1; Verstijlen 2002, p. 474; Vriesendorp, TvI1999/1, p. 5.

[11] Vriesendorp, TvI 1999/1, p. 5.

[12] Verheul, Eigendomsvoorbehoud (Rechtswetenschappelijke publicaties) 2018/7.4.2.1; Zie ook Rb. Amsterdam 8 november 2017, ECLI:NL:RBAMS:2017:8185, JOR 2018/52, m.nt. E.F. Verheul waar omtrent de vraag of eiseres kon reclameren werd gediscussieerd over de vraag of in een V&D filiaal gebruik werd gemaakt van een FIFO-systeem.  

Reageer op dit bericht

Recente artikelen

Recente reactie

Door: Benni de Jong

Dit is een helder en verduidelijkend artikel! Al roept Vladimir Poetin ook bij mij enige wrevel en gruwel op, voor het voortbestaan van een land als Rusland is hij mijns inziens onmisbaar, al laat zijn politieke uitvoering zeer te wensen over. Zijn voorgangers waren zéker niet het antwoord op deze post-communistische (groot?)macht! Gorbatsjov was té voortvarend in zijn progressieve beleid, terwijl de vrouwen betastende, immer dronken Jeltsin er een puinhoop van maakte. In de jaren negentig was Rusland dan ook een broednest van criminelen, die vrijwel ongehinderd hun gang konden gaan : het tekende de geboorte van de Russische mafia, die, inmiddels naar het Westen doorverhuisd, onuitroeibaar blijkt te zijn! Poetin, tenslotte, "het gesorg dat alles wir reg gekom het"... welnu, veel dan toch. Volgens mij wordt het weer tijd voor het herstel van de post-tweedewereldoorlogse Sovjet-Unie (of het eerdere tsaristische Russische Rijk), qua grondgebied en mensenmassa dan, om een voorlopig tegenwicht te kunnen bieden aan opkomende grootheden als China en India, en wie weet aan welke landen in Azië en mogelijk ook in Latijns-Amerika en Afrika nog meer, voor zover die zich in de nabije toekomst zullen komen aandienen om een stuk van de machtstaart in de wereld mee te verorberen... Ook voor de rest van het noordelijk halfrond, ons leefgebied, zal dit een steun blijken te zijn. Het puntje "Nederlandse-taalgebruik" is nog wat zorgelijk bij Chantal. Echter, de schrijfster is een jongedame van 20 lentes, die zich in de loop der jaren op dat punt nog wel verder ontwikkelen zal. Haar opmerkzaamheid en historische verwijzingen laten niets aan scherpte en zorgvuldigheid te wensen over. Ga zo door, mejuffrouw Van der Welde!

Door: Carola Leenders

Mooi artikel Kyra! Trots op je!

Door: Erna Smittenberg

"Smittenberg" uiteraard ...:.)

Uw browser is niet meer van deze tijd!

Update uw browser om optimaal van deze website (en vele anderen) te genieten Nu updaten!

×