Nee wetgever, dít bedoelt u

In een bestuursrechtelijk geschil voelde de rechter zich wel erg vrij om af te wijken van wat in de wet geschreven staat. Mooi? Ik zie u denken, hoe verhoudt dit zich tot de rechter als ‘la bouche de la loi’, legaliteit en de trias?

Juridisch kader

Onlangs wees iemand me op een mooie uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland.[1] Het is niet mijn bedoeling college te geven, maar een korte schets van het juridische kader in deze zaak kan niet uitblijven. In het onderhavige geval staat de rechter voor de vraag of een gescheiden moeder met kind en een man, die respectievelijk de beneden- en bovenverdieping van een huis huren, maar de badkamer en keuken delen, (fiscale) partners zijn. De hoogte van een aantal toeslagen, zoals de kinderopvangbijslag en het kindgebonden budget, is niet alleen afhankelijk van haar inkomen, maar ook van dat van een eventuele partner. Het idee is immers dat zij hun financiën samen dragen, en zo ook de kosten van het kind.[2]

Om misbruik door stellen die feitelijk wel samen zijn, maar juridisch niet, te voorkomen, heeft de wetgever besloten uit te gaan van de feitelijke situatie. Als je op hetzelfde adres woont, ben je fiscaal partner.[3] Enkel voor onderhuurders is een uitzondering gemaakt.[4] Immers, wanneer enkel de draagkracht van de ouder bepalend is voor de (hoogte van) de toeslag krijgen louter feitelijke partners meer geld dan waarop ze recht hebben én dan gehuwden of geregistreerde partners ontvangen.[5] Tot zo ver de wet.

De zaak

De zaak is als volgt: onze gescheiden moeder kwam in woningnood terecht en mocht van een boer de benedenverdieping van een pand van hem huren. De bovenverdieping verhuurde hij aan een loonwerker van hem. Gedrieën, de moeder, haar kind en de loonwerker, deelden zij de keuken, badkamer, tuin en verder niets. Toen het bestuursorgaan de hoogte van de kinderopvangbijslag en het kindgebonden budget voor de moeder vaststelde moest deze de op de bovenverdieping wonende man als fiscaal partner aanwijzen. Hij stond immers ingeschreven op hetzelfde adres. Hoewel de vrouw samen met haar kind een van de andere huurder gescheiden leven leidde kreeg zij een aanzienlijk lagere toelage, enkel omdat ze een deel van hetzelfde huis huurden. Zo is de wet.

Inmiddels is de loonwerker verhuisd en is de zaak bij de bestuursrechter aanbeland. De vrouw voert aan dat ze weliswaar in hetzelfde huis woonden, maar er nooit van enig partnerschap sprake was. Ze hadden gescheiden huishoudens en leefden gescheiden. Niet alleen de rechter volgde dit betoog, maar ook het bestuursorgaan, dat de lagere uitkeringen vaststelde, was er van meet af aan van overtuigd dat man en vrouw geen stel waren.[6] Maar de wet is de wet.

 Oordeel van de rechter

En de rechter, die is in zijn oordeel gebonden aan de wet. Toch? In casu voelt de rechter aan dat de uitkomst van de wet, een lagere uitkering voor de moeder, omdat ze een fiscaalpartner heeft, op gespannen voet staat met een rechtvaardig, misschien wel wenselijk oordeel. De vrouw en kind waren evident financieel onafhankelijk van de man. De rechter lost dit als volgt op. Hij duikt de wetsgeschiedenis in en leest daar dat er tegen ongewenste effecten een uitzondering wordt gemaakt voor (onder)huursituaties.[7] De wetgever heeft echter alleen tot de eerdergenoemde uitzondering voor onderhuursituaties besloten. Een uitzondering voor huursituaties lijkt dus niet beoogd. Maar in het onderhavige geval was geen sprake van een écht partnerschap, de uitzondering zou dus gewoon van toepassing moeten zijn, zo redeneert hij. Omdat in ‘(onder)huursituaties’ ‘onder’ tussen haakjes staat – ja, juristen zijn nu eenmaal kommaneukers – stelt hij dat de wetgever eigenlijk altijd al heeft beoogd dat ook huursituaties uitgezonderd zijn. Dus is in deze zaak de uitzondering op huursituaties van toepassing en hoeft de uitkering van moeder en kind niet verlaagd te worden. Een mooie oplossing, maar kan dit wel?

Eindoordeel

De redenering die de rechter hanteert is erg krom. De wetgever heeft immers bedacht dat gewone huursituaties ook uitgezonderd konden worden, maar dit nooit in een wet vervat.  Is een dergelijke uitzondering dan beoogd? Daar gaat de rechter vanuit, maar als dit de echte wil van de wetgever is geweest, had deze ook de uitzondering voor huursituaties gecodificeerd. Daarnaast bestaan er vanuit rechtsstatelijk oogpunt bezwaren. De machtenscheiding en het legaliteitsbeginsel die de grondslag voor ons staatsbestel vormen lijken hier opzijgeschoven te worden. De rechter spreekt namelijk geen recht volgens de wet[8] maar tegen de wet in. Door de wet te veranderen overschrijdt de rechter de grenzen van zijn interpretatiebevoegdheid. Daarmee komen de wetmatigheid van zijn oordeel en de feitelijke situatie in het gedrang. Deze sluiten beiden niet aan bij wat de volksvertegenwoordigers vervat hebben in de wet.

Toch heeft de rechter veel moeite gedaan zijn oordeel te rechtvaardigen. Wat mij betreft niet tevergeefs. Hieruit blijkt dat hij een serieuze overweging heeft gemaakt en zo tot de enige juiste conclusie is gekomen. Het zal zelden zo duidelijk zijn, voor alle drie de partijen, dat de algemene wet in dit specifieke geval geen gerechtigheid biedt. Dan is het aan de rechter om deze te brengen. Om, heel behouden, de algemene grenzen van zijn bevoegdheid te overschrijden. Om niet dogmatisch te zijn, maar een mooie uitspraak te doen. En dat deed deze rechter.[9]

[1] ECLI:NL:RBMNE:2017:637

[2] Kamerstukken II, 2009/10, 32130, 3, p. 26.

[3] Ingevolge art. 3 lid 2 (sub e) Awir: “[…] onder partner mede verstaan degene die als ingezetene op hetzelfde woonadres is ingeschreven in de basisregistratie personen als de belanghebbende en: […] die evenals de belanghebbende meerderjarig is, waarbij op dat woonadres tevens een minderjarig kind van ten minste een van beiden staat ingeschreven”

[4] De laatste helft van art. 3 lid 2 sub e Awir, (“behoudens ingeval de belanghebbende door middel van een schriftelijke huurovereenkomst, waaraan bij ministeriële regeling nadere voorwaarden kunnen worden gesteld, doet blijken dat een van beiden op zakelijke gronden een gedeelte van de woning huurt van de ander”) is ingesteld om ‘ongewenste situaties’ te voorkomen. Te denken valt aan gevallen waarin men een deel van zijn huis tijdelijk onderverhuurt aan een derde. Duidelijk is dan dat van een partnerschap geen sprake kan zijn.

[5] Kamerstukken II, 2011/12, 33004, 3, blz. 78-79

[6] Het bestuursorgaan doet het legaliteitsbeginsel recht aan, maar of dat dit weinig existentialistische besluit rechtvaardigt…

[7] Kamerstukken II, 2011/12, 33004, 3, p. 78-79.

[8] Zoals hij op grond van de trias en 11 AB eigenlijk wel behoort te doen.

[9] En niet alleen in deze zaak. Ongeveer een acht maanden later deed zich in Amsterdam een zelfde geval voor, nu met een ex-dakloze alleenstaande moeder van twee, zo tragisch zou ik het ook niet bedenken. Die uitspraak putte, terecht, inspiratie uit de woorden van deze rechter, en haalde in een gelijkluidend oordeel, de besproken uitspraak aan. Zie: ECLI:NL:RBAMS:2017:4007.

Reageer op dit bericht

Recente artikelen

Recente reactie

Door: Benni de Jong

Dit is een helder en verduidelijkend artikel! Al roept Vladimir Poetin ook bij mij enige wrevel en gruwel op, voor het voortbestaan van een land als Rusland is hij mijns inziens onmisbaar, al laat zijn politieke uitvoering zeer te wensen over. Zijn voorgangers waren zéker niet het antwoord op deze post-communistische (groot?)macht! Gorbatsjov was té voortvarend in zijn progressieve beleid, terwijl de vrouwen betastende, immer dronken Jeltsin er een puinhoop van maakte. In de jaren negentig was Rusland dan ook een broednest van criminelen, die vrijwel ongehinderd hun gang konden gaan : het tekende de geboorte van de Russische mafia, die, inmiddels naar het Westen doorverhuisd, onuitroeibaar blijkt te zijn! Poetin, tenslotte, "het gesorg dat alles wir reg gekom het"... welnu, veel dan toch. Volgens mij wordt het weer tijd voor het herstel van de post-tweedewereldoorlogse Sovjet-Unie (of het eerdere tsaristische Russische Rijk), qua grondgebied en mensenmassa dan, om een voorlopig tegenwicht te kunnen bieden aan opkomende grootheden als China en India, en wie weet aan welke landen in Azië en mogelijk ook in Latijns-Amerika en Afrika nog meer, voor zover die zich in de nabije toekomst zullen komen aandienen om een stuk van de machtstaart in de wereld mee te verorberen... Ook voor de rest van het noordelijk halfrond, ons leefgebied, zal dit een steun blijken te zijn. Het puntje "Nederlandse-taalgebruik" is nog wat zorgelijk bij Chantal. Echter, de schrijfster is een jongedame van 20 lentes, die zich in de loop der jaren op dat punt nog wel verder ontwikkelen zal. Haar opmerkzaamheid en historische verwijzingen laten niets aan scherpte en zorgvuldigheid te wensen over. Ga zo door, mejuffrouw Van der Welde!

Door: Carola Leenders

Mooi artikel Kyra! Trots op je!

Door: Erna Smittenberg

"Smittenberg" uiteraard ...:.)

Uw browser is niet meer van deze tijd!

Update uw browser om optimaal van deze website (en vele anderen) te genieten Nu updaten!

×