‘Mag ik hier roken?’

Door: ,

Rookruimtes vormen een uitzondering op het rookverbod, maar op 13 februari 2018 kwam de noodlottige beslissing van het gerechtshof in Den Haag: de uitzondering op het rookverbod in horeca inrichtingen is ongeldig en onverenigbaar met de kaderovereenkomst van de Wereldgezondheidsorganisatie voor de bestrijding van tabaksgebruik. Het is lange tijd stil geweest op het frontgebied tussen de rokers en niet-rokers, maar de CAN (Club Actieve Niet-rokers) heeft een vordering ingesteld tegen de Staat en gewonnen. Waarom is CAN in het gelijk gesteld en welke gevolgen gaat de uitspraak hebben voor het rookbeleid in de toekomst?

De strijd om het rookverbod

De uitspraak van 13 februari van het gerechtshof in Den Haag is het resultaat van een strijd tussen rokers en niet-rokers die al tijden woedt. Het is namelijk niet de eerste keer dat de Staat geconfronteerd wordt met een vordering bij de rechter over het gehanteerde rookbeleid. Zo bestond in Nederland voor een lange tijd een uitzondering op het rookverbod voor kleine cafés. Er werd niets meer van de eigenaren gevraagd dan een bordje waarop stond dat binnen gerookt mocht worden. De Hoge Raad heeft uiteindelijk het oordeel van het hof gevolgd. In dit arrest bleek de genoemde uitzondering voor kleine cafés, te weten de relatief simpele waarschuwingsmaatregel in de vorm van een bordje, in strijd was met het WHO Kaderverdrag. De bepaling uit het WHO Kaderverdrag (artikel 8 lid 2) [1] was namelijk onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig, waardoor zij als objectief recht beschouwd diende te worden [2]. Verder concludeerde de Hoge Raad dat overgangsrecht niet op zijn plaats zou zijn, nu de eigenaren eerder al een rookverbod is opgelegd. Dit lijkt triviaal, maar mijns inziens heeft deze conclusie over overgangsrecht ook gevolgen voor de latere uitspraken en arresten. De slag was verloren, maar de oorlog nog niet.

Zoals menig feestvierder wel zal weten, kan men op dit moment wel degelijk binnen horeca inrichtingen roken. Vanwege het eerder genoemde verbod kan men alleen nog roken in speciaal aangewezen rookruimtes. Hier zijn vanzelfsprekend wel eisen aan gesteld. Zo moet een rokersruimte duidelijk kenbaar zijn als rokersruimte en moet deze afgesloten zijn en vooral geen overlast veroorzaken. Verder mag in geen geval een rokersruimte toegang bieden tot bijvoorbeeld wc’s en andere openbare ruimtes. Alle overige plekken moeten begaanbaar zijn zonder dat mensen door de rokersruimte heen moeten. Horecaondernemers hebben zich zwoegend en puffend geschikt naar deze regels en geïnvesteerd in rookruimtes. Nu bleek echter dat deze uitzondering op het rookverbod [3] ook in strijd is met een en dezelfde bepaling uit het WHO kaderverdrag en dat de ondernemers ze minstens zo zwoegend en puffend weer mogen afbreken. Zo oordeelde het hof in Den Haag op 13 februari 2018 [4]. Het hof heeft hieraan meerdere redenen ten grondslag gelegd. Ten eerste bleek artikel 8 lid 2, zoals ook in een eerder arrest naar voren kwam, onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig te zijn omschreven omtrent het resultaat. Dit maakt dat zij als objectief recht beschouwd dient te worden, geheel in lijn met eerdere jurisprudentie. Ten tweede stond al snel vast dat rookruimtes vallen onder het gehanteerde begrip ‘indoor public places’ uit het kaderverdrag. Er bestond op grond van het kaderverdrag dus ook geen uitzondering voor rookruimtes, nu zij voor het publiek toegankelijk zijn en als onderdeel van de horeca inrichting dienen te gelden. De beschermingsbepaling uit artikel 8 lid 2 ziet dus ook op deze ruimtes. Ook de context en het voorwerp van het WHO kaderverdrag leiden tot eenzelfde conclusie: eenieder moet openbare ruimtes kunnen betreden zonder blootstelling aan tabaksrook. Wanneer rookruimtes worden ingesteld, druist dit tegen die beschermingsbepaling in. In rechtsoverweging 3.2 komt het hof met betrekking tot het karakter van een horeca instelling tot een volgende onderbouwing. Het hof stelt als volgt: ‘Een bezoeker die zelf niet rookt maar wiens vrienden zich in de rookruimte bevinden kan niet kiezen voor het gezelschap van zijn vrienden zonder te worden blootgesteld aan tabaksrook. Niet-rokers kunnen aldus sociale druk voelen om de rookruimte te betreden’. Zij heeft dit oordeel gebaseerd op stukken overlegd door CAN en de Staat heeft deze opvatting inhoudelijk niet betwist. In mijn optiek is deze specifieke onderbouwing dubieus en onnodig. Het is echter wel begrijpelijk dat deze echter niet betwist is. Het stond immers al vast dat de beschermingsbepaling ook in rookruimtes van kracht was. Verder stelt CAN dat het onvermijdelijk is dat er rook uit de rokersruimte komt aangezien de deur constant open en dichtgaat. Bovendien worden werknemers blootgesteld aan de rook wanneer zij hun werkzaamheden moeten verrichten. Dit is een terecht gesteld feit. Nu de beschermingsbepaling toeziet op algehele vrijwaring van tabaksrook, kan men niet tot een andere conclusie komen dan dat het gebruik van een rokersruimte tegen die algehele vrijwaring ingaat. Een laatste onderbouwing volgt uit het Verdrag van Wenen [5]. Partijen (de staten) hebben in de vorm van richtlijnen afspraken gemaakt over de uitleg en werking van bepalingen uit het WHO kaderverdrag. Deze zijn niet juridisch bindend, maar dienen wel meegenomen te worden in de beoordeling van het hof. Summier gesteld volgt een zelfde soort conclusie. De uitzondering is niet toegestaan op basis van de richtlijnen, aangezien de rookruimtes volgens de richtlijnen geen afdoende bescherming bieden tegen de blootstelling aan tabaksrook. De Staat heeft niet betwist dat consensus over de richtlijnen zou ontbreken en heeft geen bezwaar gemaakt tegen de richtlijnen waardoor het hof dit heeft aangenomen.

Uitstel van executie

Voor rokers valt maar één positief punt uit de uitspraak van het hof op te maken. CAN heeft namelijk ook gesteld dat haar vordering niet alleen betrekking heeft op horeca inrichtingen, maar op alle ‘indoor public places’. Dit is aanzienlijk breder en ziet dus op alle andere openbare gebouwen. Het hof heeft echter terecht deze vordering niet toegewezen. Wie de zaak gevolgd heeft, ziet duidelijk dat alleen gesproken is over rookruimtes in horeca inrichtingen. Het debat is niet één keer gevoerd over andere openbare gebouwen. Het is om die reden onvoldoende toegelicht wat de situatie omtrent rookruimtes (en het verbieden ervan) in andere openbare gebouwen inhoudt en wat de gevolgen zijn. Het lijkt echter meer op een verkapte vorm van uitstel van executie. Hoewel het op dit moment nog niet verboden is, lijkt het in de toekomst onvermijdelijk.

De toekomst van het roken in Nederland

Voor de ondernemers in de horeca is het een bittere pil om te slikken. Velen hebben geld geïnvesteerd om rookruimtes in te richten en die te laten voldoen aan de gestelde eisen. Nu blijken rookruimtes opeens niet meer te mogen. Het zal duidelijk zijn dat deze ommekeer voor grote onrust zal zorgen bij horecaondernemers. Zij zien niet alleen omzetverlies en onrust als grote problemen, maar zijn vooral ontzet over het categorische aspect uit de uitspraak en de onmiddellijke ingang van het verbod [6]. Gelukkig voor hen heeft de staatssecretaris van Volksgezondheid, P. Blokhuis, medegedeeld in cassatie te gaan tegen de uitspraak. Hij is het oneens met de overweging van het hof dat de bepaling uit het WHO kaderverdrag rechtstreekse werking heeft in Nederland en wil de tijd gebruiken om in een overgangsregeling te voorzien. Eén ding is echter evident: rookruimtes zijn verleden tijd. Mijns inziens zal de Hoge Raad concluderen dat de bepaling wel degelijk rechtstreekse werking heeft. Dit is namelijk al meerdere keren aangenomen. Verder betwijfel ik ook of overgangsrecht op zijn plaats is. De Hoge Raad heeft al eerder overwogen dat dit niet op zijn plek was, aangezien het rookverbod al eerder opgelegd is [7]. Voor de ondernemers hoop ik dat dit wel tot stand komt, maar ik zie die kansen somber in. Blokhuis kan de tijd wel gebruiken om zelf met horecaondernemers een regeling overeen te komen. Ik verwacht dat de Staat aanzienlijke schadevergoedingsvorderingen voor haar voeten geworpen zal krijgen, mocht er geen adequate overgangsregeling getroffen worden. De belangenorganisatie van de horeca heeft al gemeld dit niet te schuwen. Het is immers de Nederlandse wetgever die hier de fout heeft gemaakt door een foutieve interpretatie van het WHO kaderverdrag ten grondslag te leggen aan het gehanteerde rookbeleid, ditmaal in de vorm van het toestaan van rookruimtes.

De tendens is duidelijk. Na de ongeldigheid van de uitzondering voor roken in kleine cafés en de ongeldigheid van de uitzondering voor rookruimtes, lijkt mij dat roken in andere openbare gebouwen snel verboden zal worden. Ook een rookverbod op terrassen lijkt in het verschiet te liggen. De roker wordt beetje bij beetje op straat gezet.

[1] De bepaling luidt als volgt: Each Party shall adopt and implement in areas of existing national jurisdiction as determined by national law and actively promote at other jurisdictional levels the adoption and implementation of effective legislative, executive, administrative and/or other measures, providing for protection from exposure to tobacco smoke in indoor workplaces, public transport, indoor public places and, as appropriate, other public places.

[2] HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2928 (Staat/CAN).

[3] De uitzondering in de vorm van rookruimtes als bedoeld in artikel 6.2 lid 1 sub b van het Tabaks- en rookwarenbesluit.

[4] Hof Den Haag 13 februari 2018, ECLI:NL:GHDHA:2018:172.

[5] Op grond van artikel 31 lid 3 onder a van het Verdrag van Wenen dient een verdrag niet alleen uitgelegd te worden aan de hand van de context ervan, maar dient ook rekening gehouden te worden met ‘iedere later tot stand gekomen overeenstemming tussen de partijen met betrekking tot de uitlegging van het verdrag of de toepassing van zijn bepalingen’.

[6] Http://www.missethoreca.nl/cafe/nieuws/2018/04/alle-rookruimtes-in-de-horeca-moeten-binnen-twee-jaar-dicht-101303173.

[7]. HR 10 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:2928 (Staat/CAN).

Reageer op dit bericht

Recente artikelen

Recente reactie

Door: Benni de Jong

Dit is een helder en verduidelijkend artikel!Al roept Vladimir Poetin ook bij mij enige wrevel en gruwel op, voor het voortbestaan van een land als Rusland is hij mijns inziens onmisbaar, al laat zijn politieke uitvoering zeer te wensen over. Zijn voorgangers waren zéker niet het antwoord op deze post-communistische (groot?)macht! Gorbatsjov was té voortvarend in zijn progressieve beleid, terwijl de vrouwen betastende, immer dronken Jeltsin er een puinhoop van maakte. In de jaren negentig was Rusland dan ook een broednest van criminelen, die vrijwel ongehinderd hun gang konden gaan : het tekende de geboorte van de Russische mafia, die, inmiddels naar het Westen doorverhuisd, onuitroeibaar blijkt te zijn! Poetin, tenslotte, "het gesorg dat alles wir reg gekom het"... welnu, veel dan toch.Volgens mij wordt het weer tijd voor het herstel van de post-tweedewereldoorlogse Sovjet-Unie (of het eerdere tsaristische Russische Rijk), qua grondgebied en mensenmassa dan, om een voorlopig tegenwicht te kunnen bieden aan opkomende grootheden als China en India, en wie weet aan welke landen in Azië en mogelijk ook in Latijns-Amerika en Afrika nog meer, voor zover die zich in de nabije toekomst zullen komen aandienen om een stuk van de machtstaart in de wereld mee te verorberen... Ook voor de rest van het noordelijk halfrond, ons leefgebied, zal dit een steun blijken te zijn.Het puntje "Nederlandse-taalgebruik" is nog wat zorgelijk bij Chantal. Echter, de schrijfster is een jongedame van 20 lentes, die zich in de loop der jaren op dat punt nog wel verder ontwikkelen zal. Haar opmerkzaamheid en historische verwijzingen laten niets aan scherpte en zorgvuldigheid te wensen over.Ga zo door, mejuffrouw Van der Welde!

Door: Carola Leenders

Mooi artikel Kyra! Trots op je!

Door: Erna Smittenberg

"Smittenberg" uiteraard ...:.)

Uw browser is niet meer van deze tijd!

Update uw browser om optimaal van deze website (en vele anderen) te genieten Nu updaten!

×