Was dat nu wel het feestje waard?

 

Terwijl de temperaturen dalen, de bladeren van de bomen vallen en de mutsen en de sjaals weer de kast uit mogen, vinden de laatste outdoor festivals plaats. U spreekt voor het festival af met een aantal vrienden om alvast goed in de feeststemming te komen. Met een ‘big smile’ vertrekken jullie naar het festivalterrein waar de muziek al op een afstandje te horen is. Fietsen neerzetten en dan langs de bewaking om daarna de voetjes van de vloer te laten gaan, althans dat is de bedoeling. Eenmaal aangekomen bij de bewaking blijkt dat een van uw vrienden (XTC-)pillen bij zich heeft. De bewaker heeft deze gevonden tijdens het fouilleren. Terwijl u en de rest van de groep rustig het terrein op mogen lopen, wordt uw vriend overgedragen aan een opsporingsambtenaar die hem vervolgens meeneemt naar een klein tentenkamp naast het festivalterrein. Dertig minuten later komt uw vriend het tentenkamp uitlopen en zegt hij met een lach op zijn gezicht: “ik moest gelukkig alleen maar verklaren hoe ik aan de pillen was gekomen en een boete betalen, dus het feestje gaat gewoon door!”. Wat hij niet wist is dat een officier van justitie zojuist een strafbeschikking aan hem heeft opgelegd, hij hiermee akkoord is gegaan, hij door betaling tevens afstand heeft gedaan van zijn recht op verzet én hij heeft een aantekening heeft op zijn justitiële documentatie. Was dat nu wel het feestje waard?

De Wet OM-afdoening

Sinds de Wet van 7 juli 2006 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten in verband met de buitengerechtelijke afdoening van strafbare feiten (Wet OM-afdoening) is het voor het Openbaar Ministerie (hierna: OM) mogelijk geworden om zelfstandig bepaalde strafbare feiten door middel van een strafbeschikking af te doen[1]. De Wet zou volgens het kabinet moeten bevorderen dat alleen die strafzaken bij de strafrechter terechtkomen waarin daar gelet op de aard van het feit, de gewenste justitiële reactie dan wel een verschil van opvatting tussen de verdachte en het openbaar ministerie aanleiding voor is. De wettelijke constructie van de transactie (artikel 74 Wetboek van Strafrecht (hierna: WvSr)) impliceert dat een verdachte niet strafrechtelijk wordt vervolgd voor een misdrijf (en daarmee bestraft) indien er aan de voorwaarden van de transactie zijn voldaan. Door de invoering van de bevoegdheid tot het uitvaardigen van een strafbeschikking (artikel 257a Wetboek van Strafvordering (hierna: WvSv)) is dat anders komen te liggen. Zij strekt niet ter voorkoming van een vervolging, maar is een vorm waarin het Openbaar Ministerie de zaak kan vervolgen en bestraffen. Daarmee komt de strafbeschikking, wat haar rechtskarakter betreft, meer overeen met een rechterlijke veroordeling[2].

Hoewel voor het opleggen van een transactie dezelfde voorwaarden gelden als voor het opleggen van een strafbeschikking is de strafbeschikking  – in tegenstelling tot de transactie – een daad van vervolging. Tevens levert het een bestraffing op die op een vaststelling van schuld aan een strafbaar feit gebaseerd is[3]. De verdachte dient in verzet te komen tegen de strafbeschikking om zijn zaak voor de rechter te krijgen, terwijl bij het negeren van een transactieaanbod er alsnog een dagvaarding volgt. De verdachte dient dus zelf actief te worden om zijn zaak voor de rechter te krijgen, hierdoor daalt het aantal zaken dat bij de rechter komt en wordt er capaciteitswinst geboekt[4].

Wat cijfers..

Volgens het Jaarbericht 2015 van het OM[5] zijn er in 2015 in totaal 213.000 misdrijven uitgestroomd. Het OM heeft van deze zaken in totaal 97.800 zaken zelf afgedaan. Van deze 97.800 zaken zijn er 31.000 afgedaan door middel van een strafbeschikking. Wat betreft overtredingen komt men uit op een totaal van 111.900 uitgestroomde overtredingszaken waarvan er 75.100 door het OM zelf zijn afgedaan. Van deze 75.100 zaken zijn er 30.900 zaken afgedaan door middel van een strafbeschikking. In percentages uitgedrukt komt men tot de conclusie dat het OM in 31,8% van de gevallen waarin zij een misdrijf afdoet, een strafbeschikking oplegt. Bij overtredingen komt men uit op een percentage van 41,1%. In totaal werden er 61.900 strafbeschikkingen opgelegd. Het aantal misdrijven dat in eerste aanleg door de rechter is afgedaan na dagvaarding of oproeping ligt op 115.100. Bij overtredingen die door de kantonrechter in eerste aanleg zijn afgedaan staat de teller op 59.900. Zijn deze cijfers sec bekeken schrikbarend?

Wellicht zou men kunnen stellen dat het vreemd is dat het OM zoveel zaken afdoet terwijl dit in beginsel een taak is van de rechter (vgl. artikel 113 Grondwet). Zijn we wel een goede weg ingeslagen?

Artikel 113 Grondwet

Dat de OvJ de bevoegdheid heeft om een verdachte door middel van een strafbeschikking te vervolgen is an sich niet vreemd. Vergelijk in dit verband het bestuursorgaan dat een bestuurlijke boete oplegt. Het bestuursorgaan leidt het onderzoek, legt de boete op en zorgt uiteindelijk ook voor de uitvoering hiervan. Als de officier naar aanleiding van het opsporingsonderzoek van mening is dat er voldoende wettelijk bewijs is om tot een veroordeling van de verdachte te komen, gaat hij zo spoedig mogelijk over tot een vervolging (artikel 167 WvSv).

Door de toekenning van de bevoegdheid tot het opleggen van de strafbeschikking verschuift de rol van de officier van justitie. Van de officier wordt verwacht dat hij meer in zijn magistratelijke rol kruipt. Hij dient een zuivere belangenafweging te maken en de balans tussen waarheidsvinding en rechtsbescherming te vinden.

De taak van de rechter is op grote schaal overgenomen door de uitvoerende macht, niet alleen in het strafrecht maar ook in het bestuursrecht. Dit alles terwijl in artikel 113 Grondwet is bepaald: “Aan de rechterlijke macht is voorts opgedragen de berechting van strafbare feiten”.

De rol van de officier van justitie is dus steeds meer richting die van de rechter aan het schuiven. Hij zal steeds vaker zelfstandig beoordelen of de verdachte op basis van het bewijs dat hij voorhanden heeft strafbaar is en hij hem een strafbeschikking zal opleggen. De officier van justitie dient een oordeel te vellen over de schuld en de bestraffing van de verdachte[6].

De vraag is nu of dit gelijkgesteld kan worden met de ‘berechting’ van artikel 113 Grondwet. Volgens de memorie van toelichting komt de officier van justitie geen rechterlijke taak toe[7]. Het opleggen van een strafbeschikking moet worden gezien als een daad van vervolging, niet van berechting. Onder berechting in de zin van artikel 113 Grondwet moet worden verstaan het kennisnemen en beoordelen van geschillen.

Daarbij kan de rechter, anders dan de officier van justitie bij een strafbeschikking, komen tot een vrijspraak, schuldigverklaring zonder strafoplegging, ontslag van alle rechtsvervolging en het opleggen van maatregelen[8].

Toch bestaat er niet echt eenduidigheid of er wel of niet gesproken kan worden van berechting in de zin van artikel 113 Grondwet. De procureur-generaal bij de Hoge Raad stelt dat met De Wet OM-afdoening het uitgangspunt dat alleen de strafrechter een straf mag opleggen is losgelaten[9]. Den Uijl is van mening dat een strafbeschikking ook meer is dan een vervolgingsdaad, omdat er bij het opleggen van een strafbeschikking sprake is van schuldvaststelling en strafoplegging. ‘Berechten’ in de zin van artikel 113 Grondwet kan volgens haar op twee manieren worden geïnterpreteerd: zowel materieel als formeel. Bij de materiële interpretatie betekent ‘berechten’ kennisnemen en beslissen. Bij de formele interpretatie kent men de betekenis toe dat het om een beslissing moet gaan op grondslag van een tenlastelegging en naar aanleiding van een onderzoek ter terechtzitting[10]. Op grond van deze interpretaties kan alleen de materiële invulling worden aangemerkt als ‘berechten’ in de zin van artikel 113 Grondwet. Mocht de wetgever van dezelfde interpretaties zijn uitgegaan dan lijkt hij te kiezen voor de formele interpretatie. De bevoegdheid van de officier van justitie om een strafbeschikking op te leggen valt dan namelijk niet onder ‘berechten’ artikel 113 Grondwet.

Mijns inziens valt er meer te zeggen voor de materiële benadering. Het evenwicht tussen het OM en de rechter wordt door deze bevoegdheid verstoord. Het OM stelt naast de vervolging ook de schuld en de sanctieoplegging vast. Dit maakt dat er sprake is van berechting en dus strijdigheid met het ‘berechtingsmonopolie’ van de rechter.

Voorts kan men zich afvragen of het OM wel onder de ‘rechterlijke macht’ valt zoals artikel 113 Grondwet vereist. De wetgever bepaalt welke gerechten er behoren tot de rechterlijke macht. Dit zorgt dus tevens voor een bevoegdheid en mogelijkheid om instanties in te stellen die ‘recht’ kunnen spreken in de zin van artikel 113 Grondwet. Ingevolge artikel 2 van de Wet op de Rechtelijke Organisatie (Wet RO) behoren tot de rechterlijke macht de rechtbanken, de gerechtshoven en de Hoge Raad. Hoewel er enigszins discussie bestaat over de positie van het OM binnen ons staatsbestel, is de algemeen gedeelde mening dat de leden van het OM onderdeel uitmaken van de uitvoerende macht. Dat het Openbaar Ministerie traditioneel deel uitmaakt van de rechterlijke macht in ruime zin maakt het nog niet tot een rechterlijk college. Een strafbeschikking wordt naar mijn mening dus niet opgelegd door de ‘rechterlijke macht’ in de zin van artikel 113 Grondwet.

Helaas is het echter wel zo dat de rechter op grond van artikel 120 Grondwet (het toetsingsverbod) niet bevoegd is om artikel 257a Sv te toetsen aan deze Grondwetsbepaling, nu artikel 257a Sv een wet in formele zin is.

Een mogelijkheid om de strafbeschikkingsbevoegdheid eventueel wél te toetsen is artikel 6 EVRM. Dit vraagstuk laat ik voor nu rusten, maar voor de geïnteresseerde lezer verwijs ik graag naar de publicatie van Den Uijl[11].

Dat de rechter niet de mogelijkheid heeft om deze bepaling te toetsen aan de Grondwet, doet overigens niet af aan het belang van deze discussie. Ook indien er zou worden aangenomen dat de strafbeschikking niet in strijd is met artikel 113 Grondwet, zijn er nog andere (constitutionele) bezwaren. Het opleggen van een dergelijke strafbeschikking gebeurt buiten iedere vorm van openbaarheid om, terwijl openbaarheid van de rechtspraak juist een fundamenteel rechtsbeginsel is. Deze openbaarheid dient onder andere ter controle op de rechterlijke macht van buitenaf[12]. De confrontatie van de verdachte in de openbaarheid van de rechtszaal met de rechtshandhavende organen van de staat maakt geen deel uit van het handhavend optreden. Daarnaast zou er kunnen worden gesteld dat deze wijze van handelen afbreuk doet aan de onschuldpresumptie. Het bestraffen door het OM draait de bewijslast om: de verdachte wordt schuldig bevonden, krijgt een boete en moet vervolgens zelf naar de rechter indien hij het er niet mee eens is[13].

Stof tot nadenken wat mij betreft, is dit de situatie waar wij ons in willen blijven begeven?

[1] Wet OM-afdoening van 7 juli 2006, Stb. 2006, 330.

[2] Kamerstukken II 2004/05, 29 489, nr. 3, p.1.

[3] Kamerstukken II 2004/05, 29 489, nr. 3, p.1.

[4] Kamerstukken II 2004/05, 29 849, nr. 3, p.14.

[5] Jaarbericht 2015, Openbaar Ministerie, p. 68 e.v.

[6] Sikkema en Kristen 2012, p. 185.

[7] Kamerstukken II 2004/05, 29 849, nr. 3, p. 33.

[8] Kamerstukken II 2004/05, 29 849, nr. 3, p. 56.

[9] Rapport procureur-generaal bij de Hoge Raad, beschikt en gewogen, Den Haag 2014, p. 11.

[10] Den Uijl 2012, p. 1.

[11] Den Uijl 2012, p. 10 e.v.

[12] J.H. Crijns, ‘De strafrechter buitenspel. Buitengerechtelijke afdoening van strafbare feiten in heden en toekomst’, AA 2002, p. 517-518.

[13] J.H. Crijns, ‘De strafrechter buitenspel. Buitengerechtelijke afdoening van strafbare feiten in heden en toekomst’, AA 2002, p. 520.

Reageer op dit bericht

Recente artikelen

Recente reactie

Door: Benni de Jong

Dit is een helder en verduidelijkend artikel!Al roept Vladimir Poetin ook bij mij enige wrevel en gruwel op, voor het voortbestaan van een land als Rusland is hij mijns inziens onmisbaar, al laat zijn politieke uitvoering zeer te wensen over. Zijn voorgangers waren zéker niet het antwoord op deze post-communistische (groot?)macht! Gorbatsjov was té voortvarend in zijn progressieve beleid, terwijl de vrouwen betastende, immer dronken Jeltsin er een puinhoop van maakte. In de jaren negentig was Rusland dan ook een broednest van criminelen, die vrijwel ongehinderd hun gang konden gaan : het tekende de geboorte van de Russische mafia, die, inmiddels naar het Westen doorverhuisd, onuitroeibaar blijkt te zijn! Poetin, tenslotte, "het gesorg dat alles wir reg gekom het"... welnu, veel dan toch.Volgens mij wordt het weer tijd voor het herstel van de post-tweedewereldoorlogse Sovjet-Unie (of het eerdere tsaristische Russische Rijk), qua grondgebied en mensenmassa dan, om een voorlopig tegenwicht te kunnen bieden aan opkomende grootheden als China en India, en wie weet aan welke landen in Azië en mogelijk ook in Latijns-Amerika en Afrika nog meer, voor zover die zich in de nabije toekomst zullen komen aandienen om een stuk van de machtstaart in de wereld mee te verorberen... Ook voor de rest van het noordelijk halfrond, ons leefgebied, zal dit een steun blijken te zijn.Het puntje "Nederlandse-taalgebruik" is nog wat zorgelijk bij Chantal. Echter, de schrijfster is een jongedame van 20 lentes, die zich in de loop der jaren op dat punt nog wel verder ontwikkelen zal. Haar opmerkzaamheid en historische verwijzingen laten niets aan scherpte en zorgvuldigheid te wensen over.Ga zo door, mejuffrouw Van der Welde!

Door: Carola Leenders

Mooi artikel Kyra! Trots op je!

Door: Erna Smittenberg

"Smittenberg" uiteraard ...:.)

Uw browser is niet meer van deze tijd!

Update uw browser om optimaal van deze website (en vele anderen) te genieten Nu updaten!

×