Interview met Gijs Makkink

Door: ,

Foto: Eric van Nieuwland

U heeft ze wellicht in het nieuws voorbij zien komen: de rechtszaken tegen onder andere AkzoNobel en de Telegraaf Media Groep (TMG). Mr. G.C. (Gijs) Makkink is voorzitter bij de Ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam en speelt een belangrijke rol bij het oplossen van dergelijke kwesties. Wij hebben hem geïnterviewd over zijn studententijd, carrièrepad en zijn huidige werkzaamheden binnen de Ondernemingskamer.

Laten we beginnen bij het begin. U bent opgegroeid in Arnhem, maar u bent rechten gaan studeren in Groningen. Waarom heeft u destijds voor Groningen gekozen?

Omdat ik dat een leuke stad vond. Ik heb het er ook heel erg leuk gevonden. De stad Groningen was een tamelijk willekeurige keuze. Als je in de vijfde of de zesde klas van de middelbare school zit, dan ga je een paar van die studentensteden af en dan doe je een indruk op, voor wat het waard is. Dat heeft mij ertoe gebracht om in Groningen te gaan studeren. Mijn keuze had dus niets te maken met enig idee over de rechtenstudie in Groningen versus de rechtenstudie elders in het land. Daar was ik helemaal niet mee bezig.

In die zin was uw keuze dus puur gevoelsmatig?

Ja. Ik heb wel gemotiveerd voor de rechtenstudie gekozen hoor, maar niet omdat ik dacht dat de rechtenstudie in Groningen om een bepaalde reden weer anders of beter was dan in een stad als Utrecht of Leiden. Het is niet zo dat ik rechten ben gaan studeren omdat ik niet wist wat ik moest gaan studeren.

Wat was dan uw motivatie om voor de rechtenstudie te kiezen?

In de eerste plaats heb ik voor rechten gekozen omdat ik van taal en redeneren houd, maar ook wel omdat ik in mijn omgeving wat mensen – vaders van vriendjes van school en vrienden van mijn ouders – met een juridische achtergrond kende. Langs die weg kreeg ik een bepaald beeld van de juridische wereld en dat trok mij wel.

Wel ver weg van huis natuurlijk, Groningen. U ging vast niet ieder weekend op en neer?

Nee, toentertijd bestond er nog helemaal niet zoiets als een Ovkaart voor studenten. Als ik al naar huis ging, ging ik eigenlijk altijd liftend daarheen. In die tijd was liften gewoon de normale manier waarop je je als student verplaatste door het land, er waren zelfs speciale liftersplaatsen waar je kon gaan staan als je ergens naartoe wilde. Tegenwoordig zie je het fenomeen nauwelijks meer. Dat vind ik ontzettend jammer, ik zou best graag lifters meenemen als ik zelf een keer ergens met de auto naartoe ga.

Iets wat erg van deze tijd is, is het hebben van nevenactiviteiten naast de studie. Heeft u ook nevenactiviteiten naast uw rechtenstudie gehad?

Ik ben lid geweest van de studentenvereniging Albertus Magnus en ben daar ook wel actief geweest in verschillende commissies. Ook bij de civielrechtelijke studievereniging, Diephuis, ben ik actief geweest. Eigenlijk besteedde ik dus maar een klein deel van de week aan de rechtenstudie. Het was allemaal goed te combineren.

Kreeg u in gedurende uw studententijd een goed beeld van welke rechtsgebieden u goed lagen en welke u minder interessant vond?

Ik vond het strafrecht heel erg leuk, maar ik had niet het idee dat ik daar beroepsmatig iets mee wilde. Dat heb ik ook nooit gedaan, maar ik vond het gedurende mijn studie wel erg leuk. De nadruk lag bij mij toch wel op het civiele recht. Dat vond ik ook leuker dan vakken als bestuursrecht of staatsrecht. Het klassieke civiele recht uit boeken drie, vijf en zes van het BW, dat vond ik in mijn studie het leukste. In mijn werkende leven ben ik daar aanvankelijk ook heel lang mee bezig geweest.

Voordat u aan uw carrière begon heeft u eerst nog ook een periode in militaire dienst gezeten, hoe heeft u deze tijd doorgebracht?

Militaire dienst, dienstplicht, ja dat bestond nog in die tijd. Het woord zegt het al, je hebt geen keuze. Na mijn studie heb ik dus 14 maanden in diensttijd doorgebracht. Gedurende die tijd was ik bestuurslid van de AVNM. Je had twee vakbonden voor dienstplichtigen, de VVDM (Vereniging van Dienstplichtige Militairen) en de AVNM (Algemene Vereniging Nederlandse Militairen). Het bestuur van de AVNM, een vereniging met ongeveer 35.000 leden, bestond uit zeven mensen. Samen met een andere jongen was onze taak die van ombudsman. Dat betekende dat ik me bezighield met individuele belangenbehartiging. Als er dienstplichtigen waren met problemen, ze kregen bijvoorbeeld geen verlof voor het huwelijk van hun zus omdat er een oefening was of wat dan ook, dan moest ik daarin bemiddelen en een oplossing zien te vinden. Hier was ik fulltime mee bezig.

Was deze bestuursfunctie in zekere zin niet ook een voorbereiding op uw latere carrière?

Nee, niet echt. De belangenbehartiging was van een vrij simpel niveau. Deze vertegenwoordiging had ook betrekking op het militair tuchtrecht, dit interne recht bestaat voor de lichtere delicten binnen het leger. Dat bestond er in die tijd uit dat de commandant op de kazerne je in eerste instantie kon straffen. Als je het daar niet mee eens was, kon je in beroep gaan bij de militaire kamer, dat was de beroepsinstantie in Arnhem. Ik ging in zo’n geval mee vanuit mijn functie als ombudsman. Eigenlijk speelde ik dus advocaatje voor dienstplichtigen in tuchtzaken, dat had allemaal niet heel veel om het lijf. Voordat ik in dienst ging had ik al besloten dat ik advocaat wilde worden, het is niet zo dat die ambitie daar pas is ontstaan.

Na uw diensttijd bent u als advocaat aan de slag gegaan. Met welke onderdelen van het recht hield u zich in die hoedanigheid bezig?

Ik ben begonnen met huurrecht en civiel onroerend goed, maar uiteindelijk heeft mijn praktijk zich steeds meer ontwikkeld in de richting van civiele cassaties. Dit betrof ook een breder gebied dan waar ik mee begonnen was. Vanaf toen ging het meer over boeken 3, 5, 6 en 7 van het BW. Dus eigenlijk hield ik me bezig met het gehele civiele recht, met uitzondering van het Personen- en Familierecht en het Ondernemingsrecht.

De cassatieadvocatuur lijkt van alle deelgebieden van de advocatuur misschien nog wel het meeste op de rechterlijke macht, in de zin dat het tamelijk beschouwend is. De cliënt staat op grote afstand en je houdt je voornamelijk bezig met procesrecht. Als cassatieadvocaat krijg je een dossier toegestuurd van de advocaat die de zaak behandeld heeft en op basis daarvan geef je een cassatieadvies. Als dat cassatieadvies tot de conclusie leidt dat het cassatieberoep niet kansrijk of niet voldoende kansrijk is, of dat er – plat gezegd – niets in zit, dan doe je het als behoorlijk cassatieadvocaat ook niet. Zelfs als de cliënt dat toch wil moet je in staat zijn om ‘nee’ te kunnen zeggen.

U bent veertien jaar als advocaat werkzaam geweest, daarna bent u als rechter aan de slag gegaan. Hoe kwam u op het idee over te stappen naar de rechterlijke macht en hoe heeft u de overgang van advocaat naar rechter ervaren?

Op een gegeven moment had ik het idee dat ik het uiteindelijk prettig zou vinden om rechter te worden. Dat idee heb ik misschien altijd al wel gehad, maar ik vind het ook voor iemand die uiteindelijk rechter wil worden een heel goed idee om eerst een tijdje aan de slag te gaan als advocaat. In 2005 ben ik hier bij het gerechtshof Amsterdam plaatsvervangend raadsheer geworden. Gewoon naast mijn werkzaamheden als advocaat, maar wel met het idee om te kijken of er een goede basis zou zijn voor een eventuele overstap naar de rechterlijke macht. Een jaar later, in 2006, voltrok die overstap zich.

Ik vond het misschien lastiger om als advocaat partijdig te zijn, dan om als rechter onpartijdig te zijn. Wellicht heeft dat iets met je karakter te maken of met je persoonlijke voorkeuren, maar het verklaart natuurlijk wel een beetje waarom ik uiteindelijk als advocaat in de hoek van de cassaties terecht kwam. Ik denk uiteindelijk dat de functie van rechter bij mij beter past dan de functie van advocaat, dus ik ervoer mijn overstap niet als een enorme omslag. Voor mezelf was het uiteindelijk een vrij logische keuze om rechter te worden. Vanaf 2010 zit ik bij de Ondernemingskamer en uiteindelijk ben ik in 2015 voorzitter daarvan geworden.

Onlangs zijn er natuurlijk een aantal zaken bij de Ondernemingskamer geweest, met name die van Akzo Nobel en ADO Den Haag, waarbij de gemoederen nogal hoog opliepen en waar de media veel aandacht voor had. Hoe gaat u als raadsheer en voorzitter van de Ondernemingskamer om met dergelijke media-aandacht?

Ik vind het heel belangrijk dat rechtspraak openbaar is, dus het is ook heel goed dat daarover geschreven wordt. Niet alleen maar in vaktijdschriften, maar ook in de krant. Dat is allemaal prima. Iedereen heeft ook altijd toegang tot de zitting. Ik heb er ook nooit bezwaar tegen als daar televisieopnamen van worden gemaakt. Ik vind het allemaal schitterend, maar ik ben er helemaal niet mee bezig. Het is al moeilijk genoeg om zo’n ADO- of AKZO-zaak tot een goed einde te brengen. Dus hoe daarover geschreven wordt, nou ja, dat lees je later wel. En dan denk je daar verschillend over. Ik vind iets echt een goed stuk wanneer de journalist de essentie van de zaak op een hele toegankelijke, goede manier opgeschreven heeft. Soms zie je ook stukjes van journalisten waarvan je denkt dat de auteur zijn dag wellicht niet had toen hij het schreef. Het is mensenwerk. Mijn verantwoordelijkheid is om ervoor te zorgen dat zo’n zaak goed behandeld wordt, dat partijen zich gehoord voelen en dat er uiteindelijk een uitspraak ligt die voldoende begrijpelijk is voor die eerder genoemde partijen.

Als we de zaak van AkzoNobel tegen investeringsfondsen Elliot en PPG even als voorbeeld nemen, een zaak waarin eigenlijk twee totaal verschillende visies, het stakeholdersmodel (dat zich richt op alle deelbelangen van de vennootschap) en het shareholdersmodel (dat zich richt op de belangen van de aandeelhouders) tegenover elkaar staan. Hoe kunt u in zo’n geval als rechter die twee visies verenigen om tot een uitspraak te komen waar beide partijen zich in kunnen vinden?

Gelukkig is het in het algemeen zo dat je als rechter niet hoeft te streven naar een uitspraak waarmee partijen het eens zijn. Dat is het voordeel van rechter zijn; je maakt gewoon een beslissing en partijen moeten het daarmee doen. In de meeste gevallen zal het zo zijn dat er tenminste één partij is die het niet met de uitspraak eens is. We proberen dus niet iedereen te vriend te houden, dat is niet ons werk. Je probeert in iedere zaak de goede beslissing te nemen. Je probeert zo’n beslissing over zaken als de mate van autonomie die een bestuur heeft of de positie van de aandeelhoudersvergadering te plaatsen in de bestaande rechtspraak. Iedereen die hier zit heeft toch de verwachting dat hij een redelijke kans heeft dat hij het gelijk aan zijn zijde krijgt. Uiteindelijk moeten wij met z’n vijven het sprongetje tussen het raamwerk en de uitkomst in de zaak maken. Je probeert zo eerlijk mogelijk te zijn over hoe en waarom je dat sprongetje hebt gemaakt, dat staat in de beschikking. Het staat in de beschikking, of het staat er niet in. Daar moet iedereen het vervolgens maar mee doen.

Wat we wel doen is het verzamelen van allerlei noten, commentaar en discussies binnen het vakgebied. Daar besteden we wel aandacht aan. We lezen alles en we praten er intern ook over. De commentaren uit de vakbladen blijven dus niet onopgemerkt. Ik heb overigens niet gezien dat Elliot of PPG, of welke andere betrokken partij dan ook, vervolgens ergens in de krant of elders publiekelijk gezegd heeft dat hij het wel of niet met die uitspraak eens is.

U heeft ooit een tafelrede gehouden over de zogenaamde Corporal Governace Code (gedragsregels voor bedrijven). U heeft daarin ook gezegd dat het heel lastig is om naleving van de Code te vorderen. Kan de Ondernemingskamer daar nog een bepaalde beleidsmatige rol in spelen?

Het staat geloof ik ook ergens in die tafelrede dat ik het ontzettend leuk zou vinden als er een zaak hier komt, waarin iemand gaat be-

pleiten dat een onderneming iets moet doen of nalaten vanwege een bepaalde stakeholder, niet behorende tot de klassieke groep stakeholders, maar in de meer maatschappelijke stakeholders als de consument of het milieu. Dat is natuurlijk een ontzettend leuke vraag. Wat het antwoord op die vraag is, daar kan ik in algemene zin niets over zeggen, want dat weet ik niet. Ik weet pas iets als die zaak hier gediend heeft en we erover moeten beslissen. Het kan ook best zijn dat die zaak zich nooit aandient, dan blijft het in het ongewisse. Ik vind dat we wel consequent moeten zijn. Je moet óf omarmen dat iets een norm is, dan kun je er ook aan gehouden worden, óf het is geen norm, maar het is meer een soort slappe, idealistische intentie. Ook leuk, maar dan dient het verder buiten het domein van het recht te blijven.

 Hoe gaat het onlangs opgerichte Netherlands Commercial Court zich verhouden tot de Ondernemingskamer? Gaat dat instituut mogelijk interfereren met uw zaken?

In beginsel is het een toevoeging in die zin dat de Ondernemingskamer natuurlijk geen algemene bevoegdheid heeft ten aanzien van commerciële geschillen of ten aanzien van het ondernemingsrecht. Wij zijn bevoegd ten aanzien van specifieke procedures, de enquêteprocedure bijvoorbeeld, terwijl het Commercial Court zich natuurlijk richt op commerciële geschillen tussen ondernemingen. Misschien zal het soms zo zijn dat je met een bepaalde zaak of een bepaald probleem zit, en dat je de keuze hebt of je dat vormgeeft in de vorm van, bijvoorbeeld, een enquêteprocedure. In die zin zou er dus enige overlap kunnen ontstaan, maar in beginsel zie ik die overlap eigenlijk niet.

In onze carrièrespecial proberen we een aantal mogelijke paden na de rechtenstudie uit te lichten. Wanneer ben je eigenlijk geschikt voor een functie in de rechtspraak? Moet het je echt liggen, of zou in principe iedere afgestudeerd jurist het kunnen?

Dat is een lastige. Zelf had ik er niet aan moeten denken dat ik op mijn 25e rechter zou zijn geworden. Dat zou ik een heel raar idee vinden. In algemene zin denk ik dat het goed is om, ook als je tijdens je studie al denkt aan het rechterschap, eerst vooral ook te denken aan een functie in de advocatuur. Het is heel nuttig om later als je rechter bent ook die kant van de zaak gezien te hebben. Je wordt op een veel directere, meer ongepolijste manier met allerlei problemen geconfronteerd dan als rechter. Ik vind het moeilijk om te zeggen wat iemand specifiek geschikt maakt voor het rechterschap.

Je moet wel echt van het juridische houden, het ontrafelen van bepaalde kwesties. Je moet vooral nieuwsgierig zijn, graag willen weten hoe dingen zitten en waarom dingen zijn gebeurd. Verder moet je in staat zijn om je oordeel zo lang mogelijk uit te stellen. Je moet zo lang mogelijk openstaan voor de mogelijkheid dat het toch anders kan uitpakken dan je aanvankelijk dacht toen je het dossier las. Ik denk dat dat die kwaliteit je als rechter heel erg helpt.

In hoeverre je dat kunt vormen, dat weet ik eigenlijk niet. Voor een deel is het natuurlijk ook afhankelijk van je professionele houding en van de ervaringen die je op doet wanneer je als rechter werkt. Ik moet zeggen dat ik zelf eigenlijk nooit aan enige loopbaanplanning heb gedaan. Ik heb alleen maar gedaan wat er op mijn pad kwam, ook wat betreft specialismen. Ik zit dan nu sinds 2010 in de Ondernemingskamer, daarvoor hield ik me eigenlijk helemaal niet bezig met ondernemingsrecht. Ik heb ook wel de neiging om tegen rechtenstudenten te zeggen dat je niet moet denken dat je nu al weet wat je de rest van je leven precies gaat doen. Ook omdat ik denk dat er tussen rechtsgebieden dwarsverbanden zijn. Als je met het ondernemingsrecht bezig bent is het echt wel nuttig om niet alleen iets van arbeidsrecht of van het intellectueel eigendomsrecht te weten, maar ook enige kennis te hebben van bestuursrecht en strafrecht.

Speelt uw achtergrond als advocaat in het huur- en kooprecht bij uw huidige werkzaamheden dan nog enige rol?

Dat ik dat als advocaat gedaan heb is eigenlijk min of meer toevallig. Het heeft ermee te maken dat ik een scriptie heb geschreven over een huurrechtelijk onderwerp. Ja, dan zit je al een beetje in die hoek, maar je kunt daar dus wel uit komen. Tenminste, als je daarvoor openstaat. Het is met name een kwestie van persoonlijke voorkeur. Ik vind dat ook het aantrekkelijke van met name het werk als rechter, dat je vrij eenvoudig een ander specialisme kunt gaan doen. Als je 20 jaar advocaat bent op het gebied van intellectuele eigendom, dan is het heel moeilijk om nog iets anders te gaan doen als advocaat, omdat je een hele praktijk hebt opgebouwd. Je hebt cliënten, specialistische kennis; het is enorme kapitaalvernietiging om dan te gaan denken: “Nou, weet je wat? Na 20 jaar ga ik me eens bezighouden met het arbeidsrecht.” Als rechter is dat veel makkelijker, dan kun je veel meer aan seriële specialisatie doen. Het is wel prettig om gespecialiseerd te werken, maar het is ook wel weer eens leuk om af en toe van specialisme te wisselen. Je moet ook wel specifieke kennis hebben natuurlijk, als ik bij wijze van spreken hier bij het hof arbeidszaken zou gaan doen dan zou het echt beter zijn om me eerst even een maandje in het arbeidsrecht te gaan verdiepen, maar na een maand kun je dan wel aan de slag. Als je veel rechtsgebieden interessant vindt, dan is de functie van rechter dus zeker een optie.

Reageer op dit bericht

Recente artikelen

Recente reactie

Door: Benni de Jong

Dit is een helder en verduidelijkend artikel!Al roept Vladimir Poetin ook bij mij enige wrevel en gruwel op, voor het voortbestaan van een land als Rusland is hij mijns inziens onmisbaar, al laat zijn politieke uitvoering zeer te wensen over. Zijn voorgangers waren zéker niet het antwoord op deze post-communistische (groot?)macht! Gorbatsjov was té voortvarend in zijn progressieve beleid, terwijl de vrouwen betastende, immer dronken Jeltsin er een puinhoop van maakte. In de jaren negentig was Rusland dan ook een broednest van criminelen, die vrijwel ongehinderd hun gang konden gaan : het tekende de geboorte van de Russische mafia, die, inmiddels naar het Westen doorverhuisd, onuitroeibaar blijkt te zijn! Poetin, tenslotte, "het gesorg dat alles wir reg gekom het"... welnu, veel dan toch.Volgens mij wordt het weer tijd voor het herstel van de post-tweedewereldoorlogse Sovjet-Unie (of het eerdere tsaristische Russische Rijk), qua grondgebied en mensenmassa dan, om een voorlopig tegenwicht te kunnen bieden aan opkomende grootheden als China en India, en wie weet aan welke landen in Azië en mogelijk ook in Latijns-Amerika en Afrika nog meer, voor zover die zich in de nabije toekomst zullen komen aandienen om een stuk van de machtstaart in de wereld mee te verorberen... Ook voor de rest van het noordelijk halfrond, ons leefgebied, zal dit een steun blijken te zijn.Het puntje "Nederlandse-taalgebruik" is nog wat zorgelijk bij Chantal. Echter, de schrijfster is een jongedame van 20 lentes, die zich in de loop der jaren op dat punt nog wel verder ontwikkelen zal. Haar opmerkzaamheid en historische verwijzingen laten niets aan scherpte en zorgvuldigheid te wensen over.Ga zo door, mejuffrouw Van der Welde!

Door: Carola Leenders

Mooi artikel Kyra! Trots op je!

Door: Erna Smittenberg

"Smittenberg" uiteraard ...:.)

Uw browser is niet meer van deze tijd!

Update uw browser om optimaal van deze website (en vele anderen) te genieten Nu updaten!

×