Interview met Gabrielle Hoppenbrouwers, Officier van Justitie bij het Parket Midden Nederland
Daan Rijsemus

24 oktober 2019, 14:48

Interview met Gabrielle Hoppenbrouwers, Officier van Justitie bij het Parket Midden Nederland

Gabrielle Hoppenbrouwers is werkzaam bij het Openbaar Ministerie als Officier van Justitie. Naast haar werkzaamheden als Officier houdt zij een blog bij. Het is zeker de moeite waard om hier eens een kijkje te nemen om haar werk als Officier van Justitie beter te leren kennen (www.gabhop.nl). Uw loopbaan tot nu toe heeft niet alleen bij het Openbaar Ministerie plaatsgevonden. Ook de liefde voor de journalistieke wereld heeft uw carrière mede vormgegeven. Kunt u daar iets meer over vertellen? Ja, dat klopt. In 1989 ben ik begonnen aan de School voor Journalistiek. Nadat ik mijn propedeuse had behaald heb ik de opleiding Communicatie aan de HEAO in zijn geheel doorlopen. Vervolgens ben ik rechten gaan studeren aan de Universiteit van Utrecht. Ik heb destijds een stage gelopen bij een advocatenkantoor op de sectie strafrecht en daardoor wist ik al snel dat ik geen strafrechtadvocaat wilde worden. Na de studie ben ik direct naar de Raio (Rechterlijk ambtenaar in opleiding) gegaan waarbij ik onder meer de parketopleiding heb gevolgd. Toentertijd was het verplicht om ook buiten het Openbaar Ministerie werkzaam te zijn zodat je met een kritische blik naar je eigen organisatie kon kijken, zo was de gedachte. Ik heb er toen voor gekozen om een gedeelte bij de districtsrecherche van de politie te werken en bij het NOS Journaal. Nadat ik de Raio had afgerond kon mijn carrière als Officier van Justitie beginnen. Na een paar maanden heb ik echter ontslag genomen bij het Openbaar Ministerie omdat de tv-journalistiek mij van kinds af aan al interesseerde. Daarnaast had ik natuurlijk ook al ervaring bij de NOS waardoor de keuze al snel was gemaakt. Ik ben toen als redacteur/verslaggever ‘dagelijks nieuws’ aan de slag gegaan bij TV Gelderland. Vervolgens ben ik redacteur geweest bij EenVandaag en in 2009 weer teruggekomen bij het Openbaar Ministerie. U heeft een lange tijd in de journalistiek gewerkt, maar wat is de reden dat u weer bent teruggekeerd naar het Openbaar Ministerie? Door verschillende omstandigheden wilde ik naar verloop van tijd wat meer zekerheid in het leven. Tot nu toe ben ik heel blij met de terugkeer naar het Openbaar Ministerie. Door de ervaringen die ik zowel op werkgebied als privé (onder andere het krijgen van een kind en een scheiding) heb opgedaan, heb ik het idee dat ik daarmee bagage bij me heb waardoor ik veel betere beslissingen kan nemen in de zaken die ik voor mijn neus krijg. U geeft aan dat uw ervaringen op privégebied u hebben gemaakt tot de Officier van Justitie welke u nu bent. Welke competenties acht u verder nog van belang? Ik denk dat je weloverwogen en bedachtzaam moet zijn. Daarnaast moet je geïnteresseerd zijn in wat zich in de maatschappij afspeelt. Natuurlijk is interesse in het strafrecht onontbeerlijk. Daarnaast vind ik levenswijsheid een must om het werk als Officier van Justitie goed uit te kunnen oefenen. Het is naar mijn mening echt een ervaringsvak. Hoe wordt er gewerkt aan een zaak? Stuurt u bijvoorbeeld een team aan? Wij werken in teams. Ik zit in het High Impact Crime Team. Daarnaast heb je ook een Ondermijningsteam welke vooral zware criminaliteit bestrijdt. Je bent eigenlijk een soort ZZP’er in je eigen organisatie omdat je een eigen ‘toko’ hebt waar je je eigen onderzoek kunt leiden. Dit doe je wel samen met de secretaris. Persoonlijk vind ik het heel fijn dat we onderling overleg hebben over bijvoorbeeld de strafmaat en dat ik altijd bij iemand binnen kan lopen als ik vastloop in een bepaalde zaak. Daarnaast heb je als Officier van Justitie gezag over het onderzoek van de politie. In die zin stuur je wel een onderzoeksteam aan. De feitelijke onderzoekshandelingen van de politie an sich doet de politie zelf want zij zijn daarin gespecialiseerd en niet ik. Ik ben echter wel verantwoordelijk voor het juridisch geweten in een onderzoek. Soms moet ik bijvoorbeeld naar de rechter-commissaris voor toestemming voor bepaalde (onderzoeks)handelingen welke de politie dan vervolgens kan en juridisch gezien mag uitvoeren. Hoeveel zittingen heeft u in de week en hoeveel voorbereiding heeft u daarvoor nodig? Ik heb ongeveer één a twee dagen in de week zitting en de voorbereiding daarvan is over het algemeen te overzien. Bij het parket midden-Nederland worden we ook van begin tot het eind van de zaak betrokken als Officier van Justitie. Dit betekent dat je de zaak dermate goed kent waardoor dit op het moment van de zitting minder voorbereiding vergt. Toch heb ik gemiddeld nog wel een halve dag nodig om een zitting voor te bereiden, maar dit hangt ook weer van de zaak af. Daarnaast komt het ook wel eens voor dat ik wegens omstandigheden de zitting van een andere Officier van Justitie moet overdragen. De voorbereiding zal dan logischerwijs langer duren omdat ik dan niet of minder bij de zaak betrokken ben geweest. Dat strafrechtadvocaten goed moeten kunnen pleiten is wel bekend. Hoe is dat voor een Officier van Justitie? Dit is hetzelfde. Je moet een requisitoir houden waarmee je de rechtbank zal moeten overtuigen. Je moet dus absoluut een goed verhaal kunnen houden. Ik doe een requisitoir vaak vanuit de losse pols en heb dan niks op papier staan. Dit heeft uiteraard ook met de hoeveelheid ervaring van de Officier van Justitie te maken. Met welk doel moet een verdachte volgens u worden vervolgd en wat is uw rol daarin? Dat ligt een beetje aan wat voor verdachte het is, maar in principe gaat het om preventie en repressie. Je wil enerzijds de maatschappij beveiligen tegen veelplegers en anderzijds geef je met het straffen van daders een signaal af waardoor mensen weten dat je voor bepaalde handelingen een straf kunt krijgen. Bij kinderen vind ik het daarentegen erg belangrijk dat er ook een hulpverlenende aspect vastzit aan de vervolging. Je bent dan niet zozeer aan het afstraffen maar je komt meer toe aan het sociaal maatschappelijk traject. Het is belangrijk om met jongeren in gesprek te gaan. Ik probeer te doorgronden wat er leeft bij een kind door bijvoorbeeld op zitting te vragen wat hij of zij leuk vindt om te doen of wat zijn of haar passie is. De reden dat ik dit vraag is, dat ik merk dat het kind dan meer zichzelf durft te zijn en laat zien wat hij of zij wil met het leven. Ik probeer het kind duidelijk te maken dat als jij je dromen waar wilt maken dat het op een andere manier moet. In mijn strafeis houd ik ook rekening met de omstandigheden van het kind. Ik kijk bijvoorbeeld wat qua hulpverlening een goed programma zou zijn. Hierbij kun je denken aan hulp om een drank of drugsprobleem te verhelpen. Bent u er altijd volledig van overtuigd dat u de juiste verdachte voor u heeft? Ik ga met een zaak naar zitting omdat ik vind dat er een strafbaar feit is gepleegd en de verdachte daarvoor een straf moet hebben. Het kan ook voorkomen dat een kwestie zo gecompliceerd ligt dat de rechter moet beoordelen of er een gepleegd strafbaar feit is en welke straf er dus moet volgen. Het komt wel eens voor dat ik om een vrijspraak vraag omdat bijvoorbeeld op zitting blijkt dat ik, ondanks voldoende wettig bewijs, niet de overtuiging heb dat een verdachte het feit heeft gepleegd. In de maatschappij heerst nog wel eens de gedachte dat een Officier van Justitie qua strafmaat ‘’hoog in de boom gaat zitten’’ om daarmee de straf omhoog te stuwen en eventuele strafkortingen recht te trekken. Zit daar een kern van waarheid in? Nee, dat is absoluut niet het geval. Wij hebben gewoon richtlijnen en strafmaatoverleg en gaan zeker niet incalculeren wat de rechter mogelijkerwijs zal oordelen. Dit zou ook oneigenlijk zijn. Als Officier van Justitie houd ik geen rekening met mogelijke strafkortingen. Ik eis wat ik vind dat iemand behoort te krijgen en daar sta ik volledig achter. De rechtbanken hebben ook weer richtlijnen aangaande welke straffen zij voor bepaalde delicten opleggen. Daar kijk ik nog wel eens naar. Het komt ook voor dat ik een andere eis heb dan de richtlijn, maar dit heeft dan vaak zijn redenen. Bovendien komt het voor dat wij als Openbaar Ministerie vinden dat er voor bepaalde delicten een zwaardere of juist lichtere straf zou moeten zijn, in tegenstelling tot de richtlijnen van de rechtbanken. Hier zitten uiteraard wel grenzen aan. Je kunt geen zestien maanden eisen waar normaal gesproken zes maanden voor staat. Je hebt in zekere mate te maken met een bandbreedte. Ongetwijfeld zullen zware zaken soms een heftige impact op uw werk als officier van justitie hebben. Hoe gaat u om met dergelijke emoties? Natuurlijk komt het voor dat ik een brok in mijn keel heb op zitting. Echter moet ik de zakelijke kant van mijn functie als openbaar aanklager in acht nemen. Ik ben me er direct van bewust dat ik in toga zit en dan herpak ik mezelf. Een zichtbaar geëmotioneerde Officier van Justitie komt wellicht niet al te professioneel over, maar het tonen van enige emotie vind ik ook niet verkeerd. Wij zijn ook mensen van vlees en bloed en kunnen dus ook worden geraakt door wat er in de rechtszaal gebeurt. Gefrustreerd van een zaak ben ik overigens niet. Je kunt zakelijk boos zijn en echt boos. Heelaf en toe word ik wel echt boos en dan komt mijn requisitoir er wat feller uit en ben ik wat scherper met het stellen van vragen aan de verdachte. Zitten er ook nadelen aan het werk van officier van justitie? Het is belangrijk je te realiseren dat er ook zaken zijn die veel van je vrije tijd vergen. Het is dan ook belangrijk om voor jezelf grenzen aan te kunnen geven. Ik denk dat dit ook van belang is voor de kwaliteit van beslissingen die je neemt. Je moet namelijk niet te veel hooi op je vork nemen, want het gaat immers wel om belangrijke beslissingen die je volledige aandacht vragen. Wat heel soms voorkomt is dat er stoelen door de rechtszaal worden gegooid. De parketpolitie waarborgt echter je volledige veiligheid. Ik voel me dan ook nooit echt angstig op een zitting. Het Openbaar Ministerie heeft een aanzienlijke werkdruk. Hoe ervaart u dat? Als je onderzoeken hebt lopen dan ben je daar in de avond of in het weekend soms wel druk mee. Daarnaast heb je ongeveer vier tot zes keer per jaar piketdiensten. Dit zijn diensten waarin je buiten kantoordiensten één week of weekend, dag en nacht beschikbaar moet zijn. Het komt geregeld voor dat je drie nachten amper slaapt. En naast die piketdiensten moet je overdag je gewone werkzaamheden verrichten. De klassieke ‘’9 tot 5 baan’’ is er voor een Officier van justitie dan ook niet bij. U schrijft regelmatig blogs over uw werkzaamheden als Officier van Justitie. Dit vloeit voort uit uw liefde voor de journalistiek. Wat wilt u bereiken met deze blogs? Er is wel eens kritiek op het Openbaar Ministerie. Ik denk dat je meer begrip krijgt als je laat zien dat je van ‘vlees en bloed’ bent. Wij zijn geen robots in een toga die puur en alleen naar de wettekst kijken en heel strikt de regels naleven. Er is wetgeving en jurisprudentie maar er is ook ruimte voor een menselijke kant van dit werk. Dit is ook wat ik bedoel met die bagage waar ik het eerder over had. Als je een zaak wil beoordelen dan neem je daar je ervaringen in mee. Ik vind het belangrijk om de mens achter de Officier van Justitie te laten zien. Wat zou u willen meegeven aan de studenten in het algemeen en de mogelijke toekomstige Officieren van Justitie? Ik vind het belangrijk dat studenten leren zelfstandig te worden door bijvoorbeeld op kamers te gaan. Daarnaast valt het mij op dat studenten tegenwoordig veel aan ‘cv-building’ doen. Ik vraag wel eens aan studenten waarom zij een bepaalde nevenactiviteit doen en dan krijg ik als antwoord: ‘’Dat is goed voor mijn cv’’. Ik vind dat geen goede ontwikkeling. Natuurlijk is een degelijke cv belangrijk, maar vergeet niet dat je tot je 67e moet werken. Het is nu de tijd om juist ook dingen te doen die niet relevant zijn voor je studie en je latere carrière. Voor de toekomstige officieren heb ik als tip dat het erg zinvol is om ook ergens anders in de keuken te kijken dan alleen bij het Openbaar Ministerie. Wat ik namelijk nogal eens zie bij pas afgestudeerden is dat zij beginnen als parketsecretaris en daar maar vast willen zitten omdat ze hopen dat ze door kunnen groeien naar de functie van Officier van Justitie. Stage lopen bij een andere organisaties, zoals de advocatuur, het bedrijfsleven of de journalistiek zorgt ervoor dat je kritisch naar andere organisaties kijkt en vooral ook kritisch naar het Openbaar Ministerie. Daarnaast bouw je daarmee maatschappelijke levenservaring op wat ik cruciaal vind voor een Officier van Justitie. Als pas afgestudeerden zich na de studie alleen blindstaren op het Openbaar Ministerie, dan is dit denk ik geen goede manier om jezelf volledig en zo breed als mogelijk te ontwikkelen.

Promoveren: een interview met Bjorn Eggen
Maarten Finkers

3 oktober 2019, 14:53

Promoveren: een interview met Bjorn Eggen

In de Volkskrant stond laatst nog een uitgebreid artikel over de werkdruk op jongere docenten in het hoger onderwijs. Overwerken zou haast vereist zijn wanneer je onderzoek en onderwijs wil combineren. Hoe kijk jij daar tegenaan? Ik kan niet ontkennen dat de werkdruk hoog ligt. Ik denk ook niet dat de werkdruk hier lager ligt dan op advocatenkantoren. Overigens bestaat er een verschil tussen daadwerkelijke en ervaren werkdruk. We streven hier allemaal naar perfectie en we gaan daarin tot het uiterste. Op het moment dat ik onderwijs voorbereid, wil ik precies weten hoe alles zit. Dat ziet ook op de niet voorgeschreven stof. Dat kost nou eenmaal veel tijd. Of dat per se nodig is voor het betreffende vak, is een andere vraag. Ik ben daarnaast veel tijd kwijt aan ander onderwijs, waaronder het begeleiden van scripties. Mijn aanstelling is 80% onderwijs en 20% onderzoek. Daar zit nu eenmaal weinig tijd voor onderzoek in. Mijn promotietraject duurt 6 jaar. Dat betekent de facto dat ik 1,2 jaar heb voor mijn onderzoek. Vergeleken met andere disciplines is dat erg weinig. Om dan toch tot een maximaal resultaat te komen, vergt dat inderdaad dus heel veel tijd. Verder hoor je mij zeker niet klagen, want ik vind mijn werk echt heel leuk. Waar gaat jouw promotieonderzoek over? Mijn onderzoek heet ‘Van bestuurlijke normering afhankelijke strafbaarstellingen’. Ik verricht dus onderzoek naar bepalingen in het Wetboek van Strafrecht, die op enige manier beïnvloed kunnen worden door het bestuursrecht. Het belang van het onderzoek is vooral gelegen in de invloed van bestuursrecht op het strafrecht. Naar de beïnvloeding van het bestuursrecht door het strafrecht vindt al vrij veel onderzoek plaats, maar mijn kant van de medaille is onderbelicht. Zo doe ik onder andere onderzoek naar de doorwerking van het staatsrechtelijke legaliteitsbeginsel in het strafrecht, en de rol van vergunningen of ontheffingen bij de wederrechtelijkheid van strafbare feiten. Meer concreet houdt dat in dat ik bezig ben met openbare-ordeproblematiek. Denk daarbij aan voetbalrellen, demonstraties of gebiedsverboden. Verder varieert mijn onderzoek van naaktrecreatie tot staatsgeheimen. Laatst onderzocht ik bijvoorbeeld ook de reikwijdte van het lijkbegrip uit de Wet op de Lijkbezorging. Wat heeft jou gemotiveerd om te gaan promoveren? Mijn motivatie is tweeledig. Aan de ene kant het maatschappelijk betrokken zijn. Ik ben geen psycholoog, dus ik kan mensen niet op dat gebied helpen. Ik kan echter wel mijn maatschappelijk steentje bijdragen door te helpen om het rechtsstelsel te verbeteren. Het verrichtten van onderzoek is maatschappelijk relevant, want het onderzoek gaat – zeker in Nijmegen – over de fundamenten van onze rechtstaat. Door op dat gebied te promoveren kan het onderzoekmaatschappelijke impact hebben. Ik wil kijken naar verbetering van het gehele systeem; vooral omdat tegenwoordig de tendens lijkt te bestaan dat er liever snel, dan goed doordacht wordt opgetreden. Aan de andere kant wil ik het hoogst haalbare uit mijzelf halen op wetenschappelijk gebied. Dat kan tijdens een promotietraject. Algemeen bekend is: om te promoveren moet je zeer intelligent zijn. Een baan in de advocatuur was voor jou wellicht ook mogelijk geweest en daarmee had je (waarschijnlijk) meer kunnen verdienen. Waarom heb je toch voor promoveren gekozen? Ik had die baan in de advocatuur kunnen hebben. Die is mij ook aangeboden, maar daarmee behaal ik geen doctorstitel. Daarbij komt dat je met een baan in de advocatuur weinig tijd hebt om lang na te denken over de grote thema's. Nu heb ik tijd om alles écht uit te zoeken. Die tijd wordt door sommige kantoren overigens wel geboden, maar daar zijn er niet heel veel van. Geld verdienen is overigens voor mij geen drijfveer. Promoveren heeft de reputatie dat het toch erg eenzaam zou zijn. Hoe ervaar jij dit? Op zich zou dat kunnen kloppen, maar ik ervaar dat zelf niet zo. Dat heeft vooral te maken met mijn collega’s. Ik zit in een jong team en we zijn allemaal vrijwel tegelijk gestart. Daardoor zitten we in hetzelfde schuitje en vindt daarmee ook veel (inhoudelijk) overleg plaats. We lopen geregeld bij elkaar binnen. Ik ervaar het wellicht ook als minder eenzaam, doordat ik zoveel onderwijs geef. Dat is voor andere collega’s misschien anders. Overigens kan een baan binnen de advocatuur of de rechtspraak evengoed eenzaam zijn. Je bent ook daar zelf verantwoordelijk voor een taak en die moet je af hebben. Is het vechten voor een promotieplek? Het is inderdaad zo dat er maar een beperkt aantal promotieplekken is. Daar wordt inderdaad voor gevochten. Dat vechten begint echter al eerder dan tijdens het sollicitatieproces. Om echt kans te maken, moet je al wel een bepaald niveau hebben. Je moet kunnen aantonen dat je het vertrouwen waard bent en dat je zal promoveren. Hoe vergroot je je kansen? Zorg ervoor dat je goede stukken kan schrijven en inhoudelijk sterk bent. Een manier om dat te bereiken is om ook buiten de colleges om eens na te denken over vragen als ‘Klopt deze uitleg van de Hoge Raad eigenlijk wel?’ of ‘Wat vind ik van bepaalde problemen die in Nederland spelen?’. Op het moment dat je het sollicitatieproces ingaat moet je in staat zijn om zelf gevorderd te kunnen nadenken en analyseren. Het bewijs daarvoor is vaak te vinden in je essays of scriptie. Hoe kijk je terug op jouw studentenleven? Ik kijk met veel plezier terug op mijn studententijd, omdat ik altijd actief ben geweest met iets wat ik leuk vond. Ik deed toen echt waar ik zin in had. In je studententijd heb je echt de kans om te worden wie je wil zijn. Door die tijd weet ik nu wat ik wel en niet leuk vind. Zou je soms weer willen studeren in plaats van werken? Dat vind ik een moeilijke vraag. Als ik naar mijn bankrekening kijk niet (geld is geen drijfveer, maar toch). Daarnaast heb je de vrijheid die je als student hebt eigenlijk nog steeds voor een deel. Natuurlijk heb je als docent/promovendus bepaalde verplichtingen, maar die heb je als student ook. Ik kan natuurlijk geen colleges meer overslaan of opeens een half jaar naar het buitenland, dus in dat opzicht heb ik wel iets minder vrijheid nu. Ondanks dat ik met erg veel plezier terugkijk en alles eruit heb gehaald wat erin zit, vind ik het ook fijn om verder te gaan. Ik mis soms wel het gewoon gezellig met vrienden samen zijn tijdens colleges, pauzes etc. Dat is nu minder. Daar staat tegenover dat ik nu erg leuke collega’s heb. Dat zijn nu ook echte vrienden geworden. Wat is jouw plan nadat je gepromoveerd bent? Geen idee. Mijn focus ligt op dit moment bij mijn proefschrift en ik vind veel leuk. Ik zie wel wat er op mijn pad komt. Wat ik wel weet, is dat ik inhoudelijk bezig wil blijven. Als ik straks praktisch bezig ben, betekent dat dat ik daar ook de wetenschap in wil betrekken. Promovendi zijn vaak nog jong en net student-af. Hoe groot is het verschil tussen een promovendus en een student? De afstand is groot en klein tegelijk. Groot, omdat dit mijn baan is en zeker in het onderwijs wil ik daarin de leiding hebben. Klein, omdat tegelijkertijd er studenten in mijn werkgroep zitten die ouder in leeftijd zijn dan ik. Vorig jaar zat er bijvoorbeeld iemand van ouder dan 80 jaar in mijn werkgroep. Het is ook maar wat je er zelf van maakt. Ik houd de afstand tussen de studenten en mij bewust klein. Maar dat lukt me ook doordat ik nog jong ben. Ik probeer ook mijn ervaringen uit mijn eigen studententijd in het onderwijs te gebruiken. Daartegenover staat dat het lastig is dat ik de studenten ook moet beoordelen. Dat betekent dat ik sancties moet nemen op het moment dat iets niet goed loopt, zoals uitsluiting van het vak. En tussen een promovendus en een professor? Ik kan enkel spreken over de sectie strafrecht, daar werk ik. Ook die afstand is groot en klein tegelijk. Groot op het gebied van ervaring; als ik naar mijn eigen promotoren kijk, dan zie ik hen als leermeesters (prof. mr. Sackers en prof. mr. Van Kempen). Maar ook klein, want als persoon voel ik weinig afstand. Ik kan wel altijd bij hen binnenlopen en met vragen terecht. Ik heb heel veel respect voor de hoogleraren, dat houd je toch. Je merkt dat zij zelf de afstand toch klein houden, zodat je ook bij ze binnen kan lopen. Dat doe ik ook regelmatig. Verder zijn het ook gewoon gezellige mensen hoor. In welk gebied van het strafrecht is Nijmegen bij uitstek geschikt om te promoveren? Ofwel: waarin is Nijmegen strafrechtelijk gespecialiseerd? De kern van het Nijmeegse strafrechtelijk onderzoek heeft betrekking op de fundamenten van het strafrecht en de doorwerking van internationaal recht op het strafrecht, in het bijzonder mensenrechten. We houden ons hier vooral bezig met de grote vragen en thema’s binnen het strafrecht. Veel onderzoek is fundamenteel van aard. Dus niet hoe werkt de wet, maar hoe past deze binnen het systeem. Daar is het hele onderzoekscentrum Staat & Recht sterk in. Dat zie je terug in de promotieonderwerpen; deze hebben – naast mijn onderwerp – betrekking op o.a. de positie van de strafrechter, voorfasedelicten en de doorwerking van internationale verplichtingen op geweldsdelicten. Jij bent afgestudeerd op zowel bestuurs- als strafrecht. Je specialiseert jezelf nu op strafrecht. Wat voor plaats heeft bestuursrecht in jouw toekomst? Een overstap terug misschien? Het bestuursrecht zal ook in de toekomst een grote rol bij mij blijven spelen, want ik wil op het grensvlak blijven. Ik vind de combinatie juist leuk. Ik geloof erin dat de gebieden steeds meer door elkaar beïnvloed zullen worden. Nu onderzoek ik de bestuursrechtelijke invloeden in het strafrecht, maar dat betekent dat ik beide rechtsgebieden nog steeds moet beheersen. Kortom: mijn focus ligt in het strafrecht, maar ik zoek verklaringen vanuit het staats- en bestuursrecht.

Jurist in ’s Hertogenbosch
Jorrit Peters

4 september 2019, 11:02

Jurist in ’s Hertogenbosch

Wie ‘s-Hertogenbosch bezoekt denkt aan de Sint-Janskathedraal, Jheronimus Bosch en bossche bollen. Minder snel denkt men aan de organisatie en het bestuur van deze stad. Voor de stad ’s-Hertogenbosch met ruim 150.000 inwoners zijn dagelijks veel ambtenaren in touw op verschillende afdelingen. In dit interview staat het werken als jurist bij de gemeente ’s-Hertogenbosch centraal. Bestuurlijk juridisch adviseur Jack Bijveld, jurist Openbare orde & Veiligheid Natalie Horning en student-stagiair Jorrit Peters vertellen over de bedrijvigheid op het stadskantoor van het bourgondische ‘s-Hertogenbosch! Jack Bijveld, bestuurlijk juridisch adviseur Jack, je bent bestuurlijk juridisch adviseur bij de gemeente ’s-Hertogenbosch. Wat houdt dat precies in?Als bestuurlijk juridisch adviseur werk ik bij de afdeling Bestuursondersteuning en behandel ik sectoroverstijgende vraagstukken. Dat kunnen dus juridische vraagstukken zijn van de afdeling Stadsontwikkeling, Stadstoezicht of bijvoorbeeld het werk- en ontwikkelbedrijf van de gemeente. Bij de gemeente, over het algemeen een juridisch apparaat, werken ook veel niet-juristen en die staan wel eens voor complexe juridische vraagstukken waar ik ze dan bij help. Vanuit mijn functie ben ik ook secretaris van de bezwaarschriftencommissie van de gemeente, waar ik mee werk aan het advies van de commissie. En mocht de gemeente, ondanks de bezwaarschriftenprocedure, in een juridisch geschil terecht komen, dan treed ik voor zover dat kan en mag zelfstandig op namens de gemeente in procedures bij de rechtbank. Dat zijn overigens meestal civielrechtelijke zaken in plaats van het bestuursrechtelijke zoals je zou verwachten. Wat zijn nou eigenlijk je hoofdwerkzaamheden bij de gemeente? Ben je hele dagen juridisch bezig?Van alle afdelingen van de gemeente die ik juridisch ondersteun krijg je soms vrij eenvoudige vragen, maar er zijn ook enorme (hoofdpijn)dossiers waarbij je heel praktisch moet kunnen denken. Je moet bij de gemeente niet verwachten dat je de hele dag in je wetboek – zoals de Awb – kunt gaan zitten bladeren naar een bepaalde oplossing. Je moet heel pragmatisch denken en omgaan met de (beperkte) middelen en mogelijkheden die op dat moment bij de gemeente voorhanden zijn.  Vanuit jouw functie heb je dus vooral te maken met de interne organisatie en inrichting van de gemeente. Of ben je als zodanig ook betrokken bij de inwoners van de gemeente ’s-Hertogenbosch?Naast procederen bij de rechtbank tref ik burgers ook tegenover me als secretaris van de bezwaarschriftencommissie, waar ik alle bezwaarschriften die bij de gemeente binnen komen – behalve belasting- en personeelszaken – behandel. Ook in het kader van pre-mediation, beter bekend als ‘de andere aanpak’, ga ik vaak met burgers om tafel om buiten de juridische procedure van de bezwaarschriftencommissie met de bezwaarmaker en de gemeente naar een (niet juridische) oplossing te zoeken. Als bestuurlijk juridisch adviseur heb ik daardoor al veel te maken gehad met verschillende soorten mensen. Van bewindslieden tot burgers, ambtenaren, juristen, uitkeringsgerechtigden, rechters, beleidsmakers: noem maar op. Dat is enorm leerzaam en geeft variatie in mijn werk!Je bent privaatrechtelijk afgestudeerd. Wat heeft je doen besluiten om dan toch in het publiekrecht werkzaam te zijn? Of is werken bij de overheid niet die-hard bestuursrecht?Ik heb rechten gestudeerd in Tilburg en hoorcolleges gevolgd bij prof. Schoordijk en prof. Deelen. Studenten hingen echt aan de lippen van deze hoogleraren en de collegezalen waren overvol.  Zij gaven inspirerend onderwijs met onvergetelijke colleges over dwaling en privaatrechtelijke klassiekers zoals Eelman/Hin. Ik ben eigenlijk uit puur toeval in het publiekrecht terecht gekomen. Na mijn studententijd moest ik verplicht in militaire dienst. Daarna ben ik werkzaam geweest in het onderwijs en bij een gerechtsdeurwaarderskantoor.  Via een uitzendbureau kon ik daarna bij een kleinere gemeente, Den Dungen (Noord-Brabant), aan de slag. Ik was daar jurist grondzaken. Dat was vooral privaatrecht met eigendomsrechten en zakelijke rechten van de gemeente, gemeentegrond en andere economische aangelegenheden. Daar kwam ik ook in aanraking met het publiekrecht en zo sloop dat er een beetje in. Na je afstuderen ben je dus bij diverse overheden als bestuurlijk juridisch adviseur aan de slag gegaan, wat hielden je werkzaamheden precies in en hoe heb je dat ervaren?Nadat ik begon bij de gemeente Den Dungen heb ik een gemeentelijke herindeling meegemaakt en werd mijn gemeente onderdeel van de gemeente Sint-Michielsgestel. Daar ben ik als algemeen juridisch adviseur aan de slag gegaan. Vanuit daar heb ik de overstap naar de provincie Noord-Brabant gemaakt, en ben ik hier gevestigd in ’s-Hertogenbosch. Ik heb daar met veel plezier gewerkt in twee functies: als secretaris van de Statencommissie en als beleidsmedewerker in het milieu-en ruimtelijke ordeningsrecht. Ik was daar veel in overleg met lagere overheden over het milieu. Je ging daar namens de provincie ook daadwerkelijk de provincie in, op bezoek bij grote en kleine gemeenten. Dat was zowel ambtelijk als bestuurlijk heel interessant omdat daar twee werelden bij elkaar kwamen op verschillende momenten; je zat met provinciebestuurders het werk voor te bereiden en ging daarna bij de gemeenten het ambtelijk overleg in. Hetzelfde geldt voor het contact tussen de provincie en het ministerie van Landbouw en Natuurbeheer. Ik heb daar in het Provinciehuis veel organisaties van de overheid gezien en met heel veel overheidspartijen samengewerkt. Merk je verschillen in het werk bij een grote of kleine overheid?Ja. In de gemeente Den Dungen, voor de huidige begrippen een hele kleine gemeente, deed ik alles zelf; ik schreef voorstellen en adviezen voor het college, die ik na goedkeuring dan weer zelf moest gaan uitvoeren. Bij de grotere gemeenten zoals hier in ’s-Hertogenbosch ben je slechts een onderdeel van het proces, een radertje in de grote installatie. Ik schrijf een advies op verzoek van een afdeling, dat passeert het college en wordt door de betreffende afdeling uitgevoerd. Als het allemaal goed gaat zie ik daar niets meer van terug. Wat dat betreft lever ik als bestuurlijk juridisch adviseur veel en verschillende onderdelen aan diverse bouwpakketten. Bij een kleinere gemeente of provincie is de cultuur daardoor ook anders; er hing daar een hele ambtelijke sfeer en zo communiceerde we ook met elkaar; belangentegenstellingen kwamen niet of nauwelijks voor in zo’n kleine organisatie. Was er een groot verschil in je studie en je werk later in de praktijk? Heb je een beroepsopleiding voor ambtenaren gevolgd? Zeker als je net begint en van de universiteit komt wil je veilig werken en ga je keurig de aangewezen en standaard routes af zoals in je studieboek stond. Je houdt het probleem heel dicht bij jezelf en bij je eigen parate kennis en wellicht ook bij het wetboek. Maar een organisatie zoals een gemeente kan daar niets mee en vraagt daar ook niet om. In de adviezen aan afdelingen en in contact naar de burger schiet je met juridische stukken weinig op. Je moet het voor jezelf dan heel praktisch en praktijkgericht maken. Daar moest ik in het begin aan wennen, maar dat past juist heel goed bij me. Soms ben ik een vertaler van juridisch jargon naar begrijpelijke afdelingstaal. Ik heb daarvoor geen beroepsopleiding gevolgd, maar wel de opleiding tot gemeentejurist met veel aanbestedingsrecht, strafrecht en bestuursrecht. En het vak overheid en privaatrecht is voor de juridisch bestuurlijk adviseur bij de gemeente onontbeerlijk. Waarom zouden juist universitaire afgestudeerde juristen ook naar vacatures bij de gemeente moeten kijken? Wat maakt het werk nou zo mooi bij de gemeente s-Hertogenbosch?Studenten denken vaak dat je in overheidsland geen carrière kunt maken. Dat is niet zo. Het moet alleen méér uit jezelf, uit eigen ambitie en initiatief komen. Veel studenten denken dat werken bij de overheid, zeker bij een gemeente, vaak suf of saai is. Ook dat is niet zo. In tegendeel: iedere dag is voor mij verrassend. Er zijn dagen waar ik ‘s ochtends een bepaalde planning heb en bepaalde zaken wil afhandelen, maar daar s ’middags helemaal niet aan toegekomen ben, omdat er urgentere of andere zaken voorrang kregen of van advies moesten worden voorzien. Ik zit ook niet hele dagen achter m’n bureau of achter een loket in het stadskantoor. Ik zit dagelijks in overlegsituaties, waarvoor ik het land, de provincie of de stad in trek om zaken op te lossen; door je werk bij de gemeente kom je letterlijk ergens. Je gaat er vaak op uit om met verschillende partijen om tafel te gaan op verschillende locaties. Daardoor heb je op een dag verschillende rollen en dat maakt dat geen enkele werkdag hetzelfde is. Daarbij zijn er zoveel maatschappelijke en juridische factoren die op de overheid en gemeente druk uitoefenen dat je elke dag nog moet blijven schakelen. Denk maar eens aan de werking van de AVG. Ondanks dat de wet al een jaar in werking is, stuit de gemeente nog vaak op nieuwe problemen rondom privacy. Elke situatie en verandering vereist bij de gemeente extra scherpte en dat maakt je werk als ambtenaar bij de gemeente juist nooit routinematig. Ik denk dat het daarom goed is voor studenten ook eens buiten de geijkte paden van de advocatuur en rechterlijke macht te kijken. De ontwikkeling die je bij de gemeente of bij de overheid doormaakt is enorm. Je leert hier als jurist om goed te lezen wat er staat, goed door te vragen zodat je echt daadwerkelijk tot de (juridische) kern van een casus komt en de relevante onderwerpen en problemen te belichten. Vanuit daar kun je dan een kernachtig en krachtig advies geven. Bij de overheid leer je pas echt hoe het recht in elkaar steekt en hoe je ook met het recht kunt spelen. Als je een casus of probleem voorgelegd krijgt bij de gemeente moet je niet meteen gaan zoeken naar de oplossing, maar je afvragen: wat speelt er in deze casus nog meer?  Daardoor kun je niet in hokjes blijven denken van alleen maar óf publiekrecht óf privaatrecht. Publiekrecht is vaak wel je vertrekpunt maar je moet ook proberen om in dat andere rechtsgebied te blijven werken. Moet je ook niet veel rekening houden met dat je iedere keer overheid bent?Nee, dat is er inmiddels ingesleten. Je moet er rekening mee houden dat de maatschappij en heel veel (juridische) professionals op een bepaalde wijze naar de gemeente kijken. De overheid ligt in al haar doen en laten altijd onder een extreem krachtig vergrootglas. Als een burger het niet met de gemeente eens is, maakt hij bezwaar, dient hij een klacht in en moeten wij ons als overheid (bij de rechter) altijd verdedigen. Wat dat betreft benijd ik op sommige werkdagen juristen in het bedrijfsleven. Een keer zeggen: ‘ik zie het nut en de noodzaak er niet van in om deze klacht af te handelen’ kan en mag gelukkig bij de overheid absoluut niet. Natalie Horning, jurist Openbare Orde & Veiligheid (OOV) Natalie, jouw afdeling houdt zich bezig met ‘hot items’ in bestuurlijk Nederland: ondermijning, openbare orde en veiligheid. Wat houdt dat werk precies in? En hoe ziet je werk als jurist Openbare orde & Veiligheid (OOV) er dagelijks uit?Als jurist van OOV ben en moet ik breed inzetbaar zijn. Beslissingen bij vraagstukken in  de openbare orde en veiligheid kunnen verstrekkende gevolgen hebben voor de openbare ruimte, burgers, ondernemers en de politiek. Als jurist OOV moet je de vele invalshoeken en consequenties veel breder bekijken dan alleen maar uit juridisch oogpunt. Vanuit de juridische bevoegdheden – vaak van de burgemeester – voeren we het gemeentelijk beleid op de openbare orde en veiligheid uit en moeten we daar afwegingen maken die vaak ingrijpend kunnen zijn voor alle betrokkenen. Het gaat dan om brieven met waarschuwingen, last onder dwangsom/bestuursdwang, gebiedsverboden, huisverboden, maar ook toetsing van maatregelen of deze juridisch houdbaar zijn tegen betrokkenen. Daarnaast doen we een stukje beleidsvorming met de uitwerking daarvan. Denk maar eens aan het glasverbod in de binnenstad van ‘s-Hertogenbosch tijdens carnaval. Daarvoor moeten we de APV laten aanpassen. Dat vereist voorbereiding, communicatie met betrokkenen, juridisch voorwerk en een collegebesluit.   Zit je dan veel achter je bureau juridisch werk te doen of ben je buiten het stadskantoor een crime fighter? (officier van dienst e.d.)Het verschilt heel erg: er zijn dagen dat ik op kantoor advies aan het schrijven ben of beleid ontwikkel. Maar er zijn ook dagen dat ik absoluut niet op kantoor ben en alleen maar buiten bezig ben op bijvoorbeeld een actiedag in het kader van openbare orde en veiligheid. Samen met de politie, belastingdienst, het Openbaar Ministerie en de FIOD trekken we dan op tegen openbare orde verstoring en ondermijning. Ook de veiligheid zoals bijvoorbeeld cameratoezicht tijdens carnaval valt onder onze verantwoordelijkheid. Collega’s van mij zijn dan werkzaam als officier van dienst in het kader van crisisbeheersing. Als het dan ergens ernstig mis gaat, komt de coördinatie vanuit de gemeentelijke officier van dienst. Als jurist bij OOV zijn we ook vaak buiten in relatie tot onze functie, bijvoorbeeld bij een bezoek aan de horeca over het uitgaansleven. Dit betekent dus ook dat wij ’s avonds en ’s nachts werken: met carnaval zijn we ook hele lange dagen in functie. Een Opiumsluiting kan ook op zondag, en ook tijdens carnaval voorkomen. Alleen van 9 tot 5 geldt dus niet voor een OOV jurist. Maar dat vinden wij juist leuk… het werk van openbare orde en veiligheid is geen dag hetzelfde en vaak komen er spoedzaken voorbij. Dringende vragen vanuit de politie, de gemeenteraad of de pers, maar ook situaties van huiselijk geweld of een schietpartij: wat dat betreft zijn we bij OOV wél een soort van crime fighters. Hoe ben je na je studie bij de gemeente ’s-Hertogenbosch terecht gekomen? Heb je bij de gemeente een beroepsopleiding gevolgd?Ik heb rechten gestudeerd in Tilburg en ben tijdens mijn studie begonnen bij de gemeente Eindhoven. Daar heb ik 1,5 jaar gewerkt op ruimtelijke ordening. Daarna ben ik naar bouw- en woningtoezicht bij de gemeente Utrecht overgestapt. Eerst hield ik me ongeveer 2 jaar als ‘schrijvend’ jurist bezig met aanschrijvingen, toezicht, vrijstellingen en ontheffingen. Daarna ben ik ongeveer 12 jaar bestuursadviseur ruimtelijke ordening geweest. Met de komst van de Wabo werd dat ook milieu en openbare ruimte. In Utrecht heb ik me ook bezig gehouden met openbare orde en veiligheid op het gebied van horeca, prostitutie en coffeeshops. Vanuit die werkzaamheden ben ik drie jaar geleden bij de gemeente ’s-Hertogenbosch als jurist bij OOV terechtgekomen.   Rechtenstudenten vinden werken bij de gemeente niet voor de hand liggen, wat zijn jouw redenen om bij de lokale overheid te werken? Ik vond juist de gemeente veel mogelijkheden bieden: divers en veel taakgebieden zoals milieu, bouw, openbare orde, veiligheid en sociale zekerheid. Maar ook civielrecht zoals in het aanbestedingsrecht en vastgoed komt aan de orde. Ik vond het vakgebied van ruimtelijke ordening altijd al heel interessant en zag daar veel mogelijkheden voor om juist bij de gemeente me daarin te specialiseren. Juist ook omdat je bij een gemeente gelijk veel verantwoordelijkheid krijgt: je mag eigenlijk altijd meteen zelfstandig werken, met eigen projecten en zaken. Voor je stad iets kunnen betekenen is natuurlijk heel speciaal: nog steeds loop ik in de verschillende gemeenten rond en zie daar dingen die ik mogelijk – of juist onmogelijk –  heb gemaakt!  Waarom zou je rechtenstudenten aanbevelen om toch ook naar een functie bij de gemeente te kijken?Je krijgt snel eigen verantwoordelijkheid, je kunt je snel ontwikkelen en krijgt ook ruimte om je eigen invulling te geven. En het is zo veel meer dan alleen achter je bureau zitten en een juridisch document maken. Daarbij kun je binnen de gemeente makkelijk overstappen naar andere vakgebieden. Bij een kleine gemeente word je breed ingezet en leer je heel snel over heel veel verschillende vakgebieden. Bij grotere gemeenten kun je je écht specialiseren. Jorrit Peters, student-stagiair Wat waren je verwachtingen van een stage bij de gemeente ’s-Hertogenbosch?Als rechtenstudent aan de universiteit vond ik een stage bij de gemeente niet voor de hand liggen; bij een stage dacht ik net als de meeste rechtenstudenten aan de standaard van de advocatuur of de rechterlijke macht. Door mijn bestuursfunctie in het faculteitsbestuur van de Faculteit der Rechtsgeleerdheid was het voor mij echter niet mogelijk om vijf dagen per week stage te lopen. Stage in de advocatuur of rechterlijke macht viel af. Gelukkig was bij de gemeente ’s-Hertogenbosch mijn beperkte inzetbaarheid geen probleem, door die flexibiliteit was het toch mogelijk om twee á drie dagen per week stage te lopen. Ik verwachtte dat een stage bij een gemeente vooral (bijzonder) bestuursrecht zou zijn, waarbij ik hele dagen in de bijvoorbeeld de Wabo, Wmo en Awb zou struinen. Dat bleek een stuk genuanceerder te liggen.  Hoe heb je de stage bij de gemeente ’s-Hertogenbosch dan wel ervaren?Ik kreeg de indruk dat ik niet als stagiair maar meer als werkstudent op het stadskantoor rondliep. Ik had eigen dossiers, werd in alle relevante processen betrokken en kreeg de vrijheid om vraagstukken van allerlei gemeentelijke afdelingen juridisch zelfstandig uit te zoeken en om daarover te adviseren. Dat ging over zowel privaatrechtelijke kwesties zoals zaakwaarneming en het opstellen van overeenkomsten als over publiekrechtelijke kwesties zoals adviezen van de bezwaarschriftencommissie, vergunningen en pre-mediation tussen burgers en de gemeente. Van de pre-mediation, beter bekend als ‘de andere aanpak’, heb ik het meest geleerd. Samen met boze burgers en soms starre gemeentelijke afdelingen, buiten het juridische van de bezwaarschriftprocedure om, naar een oplossing zoeken. Dat vereist soms het nodige kunst-en vliegwerk. Je moet dan alle gemoeide belangen, invalshoeken en (on)mogelijkheden goed voor ogen hebben. Dat doet een beroep op vaardigheden die niet op de rechtenopleiding worden onderwezen. Je moet communicatief vaardig zijn, een juridisch heldere memo kunnen schrijven en bij de gemeente de ‘klare taal’ van de burger kunnen spreken. Dat heb ik de afgelopen periode bij mijn stage goed onder de knie gekregen. Een stage, buiten de geijkte paden van de advocatuur en de rechterlijke macht, was erg leerzaam!


Recente artikelen

Recente reactie

Door: Chantal van der Weide

Beste Benni de Jong, bedankt voor je scherpe en goed geformuleerde reactie. Ik deel je mening ook volkomen.

Door: Benni de Jong

Dit is een helder en verduidelijkend artikel! Al roept Vladimir Poetin ook bij mij enige wrevel en gruwel op, voor het voortbestaan van een land als Rusland is hij mijns inziens onmisbaar, al laat zijn politieke uitvoering zeer te wensen over. Zijn voorgangers waren zéker niet het antwoord op deze post-communistische (groot?)macht! Gorbatsjov was té voortvarend in zijn progressieve beleid, terwijl de vrouwen betastende, immer dronken Jeltsin er een puinhoop van maakte. In de jaren negentig was Rusland dan ook een broednest van criminelen, die vrijwel ongehinderd hun gang konden gaan : het tekende de geboorte van de Russische mafia, die, inmiddels naar het Westen doorverhuisd, onuitroeibaar blijkt te zijn! Poetin, tenslotte, "het gesorg dat alles wir reg gekom het"... welnu, veel dan toch. Volgens mij wordt het weer tijd voor het herstel van de post-tweedewereldoorlogse Sovjet-Unie (of het eerdere tsaristische Russische Rijk), qua grondgebied en mensenmassa dan, om een voorlopig tegenwicht te kunnen bieden aan opkomende grootheden als China en India, en wie weet aan welke landen in Azië en mogelijk ook in Latijns-Amerika en Afrika nog meer, voor zover die zich in de nabije toekomst zullen komen aandienen om een stuk van de machtstaart in de wereld mee te verorberen... Ook voor de rest van het noordelijk halfrond, ons leefgebied, zal dit een steun blijken te zijn. Het puntje "Nederlandse-taalgebruik" is nog wat zorgelijk bij Chantal. Echter, de schrijfster is een jongedame van 20 lentes, die zich in de loop der jaren op dat punt nog wel verder ontwikkelen zal. Haar opmerkzaamheid en historische verwijzingen laten niets aan scherpte en zorgvuldigheid te wensen over. Ga zo door, mejuffrouw Van der Welde!

Door: Carola Leenders

Mooi artikel Kyra! Trots op je!

Door: Erna Smittenberg

"Smittenberg" uiteraard ...:.)

Door: Erna Smuttenberg

Mooi artikel Kyra! Ik wilde vroeger bij de Milva! Maar of veel vrouwen het met me eens zijn....Ontwikkeling is niet te stoppen denken ik!

Uw browser is niet meer van deze tijd!

Update uw browser om optimaal van deze website (en vele anderen) te genieten Nu updaten!

×