Is de staat aansprakelijk voor Q-koorts?

In januari van dit jaar heeft de rechtbank Den Haag uitspraak gedaan in een rechtszaak waarin een grote groep slachtoffers van Q-koorts de staat aansprakelijk had gesteld voor de gevolgen van deze ziekte. De rechtbank wijst in haar arrest aansprakelijkheid van de staat af, maar gaat wel zeer uitvoerig in op de overwegingen die hieraan ten grondslag liggen. In dit arrest speelt in het bijzonder de vraag of de staat een rechtsplicht had om maatregelen te nemen, en op welk moment deze verplichting ontstond. Daarnaast wordt beoordeeld of de informatievoorziening van de staat voldoende was om de risico’s van Q-koorts in te schatten.

Wat is Q-koorts?

In de periode van 2007 tot 2010 was in Nederland sprake van een Q-koorts epidemie. Q-koorts is een ziekte die overgedragen kan worden van dier op mens. De ziekte wordt veroorzaakt door een micro-organisme dat voornamelijk door schapen en geiten wordt verspreid, bijvoorbeeld via hun urine, ontlasting of melk. Mensen kunnen besmet worden door het inademen van besmette vocht- of stofdeeltjes. Door simpelweg in de aanwezigheid van een boerderij te zijn met besmette dieren liepen mensen al risico op besmetting. Van de mensen die besmet raakten merkte een grote meerderheid niets van de ziekte en kreeg geen klachten. Bij een kleine minderheid leed de ziekte wel tot ernstige klachten, zoals longklachten of chronische Q-koorts. Bij enkele tientallen mensen heeft ziekte zelfs het overlijden tot gevolg gehad.

Rechtbank Den Haag

De 297 slachtoffers namens wie deze zaak werd aangespannen maakten twee belangrijke verwijten jegens de staat. Ten eerste zou de staat de slachtoffers van Q-koorts onvoldoende geïnformeerd hebben over de gevaren van Q-koorts die bekend waren. Ten tweede zou de staat te lang hebben gewacht om adequate maatregelen te treffen om mensen tegen deze gevaren te beschermen. De eisers in deze zaak stellen dat de overheid inbreuk heeft gemaakt op diverse grondrechten en in strijd heeft gehandeld met het EVRM. Zij baseren vervolgens de aansprakelijkheid van de Staat op art. 6:162 en 6:163 BW.

De rechtbank diende een oordeel te maken of de staat onrechtmatig heeft gehandeld. Om dit vast te stellen heeft zij beoordeeld of de staat maatregelen had moeten treffen gezien de risico’s die toen bekend waren over Q-koorts, binnen de beoordelings- en beleidsvrijheid die zij heeft. Daarnaast werd gekeken of deze maatregelen voldoende effect zouden hebben gehad. Indien de staat te laat heeft ingegrepen zal de rechtbank moeten vaststellen op welk moment de rechtsplicht tot het treffen van maatregelen op de staat zou rusten. Om aansprakelijkheid van de staat jegens de slachtoffers van Q-koorts vast te stellen zijn de gevolgen van de ziekte niet van belang, slechts de oorzaak van de ziekte is van belang en de maatregelen die de staat in dit verband heeft getroffen en welke bevoegdheden de staat tot haar beschikking heeft staan.

De eisers hebben door middel van een proefschrift uit de jaren ’80 al weten te bewijzen dat de staat bekend was met de ziekte, en dat deze ook een humane verschijningsvorm had. Daarnaast was zij ook bekend van het ernstige verloop dat deze kan hebben in de vorm van longklachten. De staat heeft in de jaren ’90 de Interdepartementale werkgroep zoönosen (IWZ) ingesteld, welke eind jaren ’90 een rapport over Q-koorts heeft uitgebracht. Hierin werd de staat gewaarschuwd voor de gevaren van de Q-koorts. Tevens vermeldde het rapport dat in Nederland waarschijnlijk maar een klein deel van de mensen die besmet worden melding maakt van hun ziekte, bij een vele malen groter deel wordt de ziekte niet geregistreerd. Daarnaast heeft de staat in 2006 en 2007 een onderzoek verricht waaruit bleek dat nog niet eerder een uitbraak van Q-koorts had plaatsgevonden in Nederland. Wel was de staat bekend met diverse uitbraken van Q-koorts in andere landen zoals Zwitserland, Canada en Bulgarije. Al deze uitbraken in het buitenland waren eenmalig.

Onvoldoende en trage maatregelen

In het kader van het bestrijden van Q-koorts stellen eisers dat diverse maatregelen genomen hadden kunnen worden, die onvoldoende zijn genomen of te langzaam. Zo halen zij onder andere het instellen van een wettelijke meldplicht aan, de mogelijkheid een vervoersverbod op te leggen, hygiëne- en mestmaatregelen te nemen of het instellen van verplichte mestmaatregelen.

De rechtbank beoordeelt eerst of eerder een meldplicht ingesteld had moeten worden en stelt dat het beoordelingskader in deze zaak verschilt van dat van dierziektes die voor 2007 zijn aangewezen als besmettelijke dierziektes. Voor dergelijke ziektes zoals mond-en-klauwzeer en de vogelpest geldt een EU-richtlijn die een bepaalde aanpak voorschrijft, dit is niet het geval bij Q-koorts. Een aanwijzing als besmettelijke dierziekte wegens bedreiging van de diergezondheid was op grond van art. 15 GWDD niet mogelijk. Q-koorts wordt niet gezien als een ziekte die een bedreiging voor de diergezondheid is omdat zij bij dieren geen ziekteverschijnselen geeft, maar slechts in enkele gevallen tot spontane abortussen leidt. Indien een dergelijke aanwijzing niet mogelijk is kan men niet wettelijke verplichte maatregelen opleggen, maar slechts vrijwillige maatregelen. Zonder aanwijzing bestaat ook geen wettelijke meldplicht, geen informatieplicht en geen plicht het betreffende dier binnen te houden bij ziekte. Een dergelijke aanwijzing was bij Q-koorts pas mogelijk op grond van art. 15 GWDD op het moment dat een gevaar voor de volksgezondheid dreigde.

De rechtbank oordeelt vervolgens of op diverse relevante toetsmomenten de staat Q-koorts als besmettelijke dierziekte had moeten aanwijzen zodat eerder van het wettelijk instrumentarium dat voor bestrijding van besmettelijke dierziekten beschikbaar is gebruik gemaakt had kunnen worden. Pas in 2008 werd duidelijk dat de Q-koorts weer was teruggekeerd en zodanig verspreid was dat niet een enkele bron van de ziekte kon worden aangewezen, daarom werd op dat moment geoordeeld dat het “dringend noodzakelijk” was om een meldplicht in te voeren door Q-koorts aan te wijzen als besmettelijke dierziekte. Hier vond een belangenafweging tussen de belangen van de volksgezondheid en de belangen van de geiten- en schapenhouders van een dergelijk etiket af. Volgens de rechtbank heeft de staat geen rechtsplicht geschonden door niet eerder over te gaan tot deze aanwijzing. Zij oordeelt hetzelfde in alle aangehaalde voorbeelden, geen van de maatregelen die de staat had kunnen nemen heeft zij gezien de omstandigheden te laat gebruikt.

Onvoldoende voorlichting

Eisers stellen ook dat de staat bewust informatie voor het publiek heeft achterhouden en hen doelbewust op een kennisachterstand heeft gezet. De website van de RIVM waarschuwde namelijk slechts de geitenhouders, niet het grote publiek. Waarschuwingen dienen het publiek te bereiken, effectief te zijn en gedrag te beïnvloeden. Dat heeft deze website dus niet gedaan. Volgens eisers vloeit uit art. 2 en 8 EVRM vloeit een verplichting voort aan de Staat om informatie te verstrekken over de risico’s van Q-koorts.

De rechtbank ziet geen reden om dit verwijt te honoreren. De staat heeft zijn communicatiebeleid toegelicht in de stukken waarmee zij het tegendeel tracht aan te tonen. Vanaf 2007 beantwoorde het RIVM diverse vragen over Q-koorts, die zij consequent heeft bijgewerkt. Deze informatie was niet onjuist. Daarnaast hebben andere betrokken organisaties ook op hun website een link naar deze informatie geplaatst. Daarnaast is in 2008 ook op de site van de rijkoverheid informatie geplaatst over Q-koorts. Volgens de rechtbank konden burgers gezien de inhoud en hoe de informatie is verspreid voldoende hun risico’s konden beoordelen en daarmee hun risico konden wegnemen. De website van de rijksoverheid is het belangrijkste medium waarmee de staat communiceert, daarmee lag het voor de hand dat zij dit via dit medium heeft gedaan. Daarnaast heeft de staat ook met persberichten de aandacht getrokken aan de getroffen maatregelen. Op deze manier heeft zij aan de positieve verplichtingen die uit het EVRM voortvloeien voldaan.

Daarnaast verwijten eisers de staat dat zij pas in december 2009 bekend heeft gemaakt welke bedrijven besmet waren verklaard en zo niet het gevaar voor omwonenden en passanten bekend was. Dit betreft dus de informatievoorziening voordat mensen daadwerkelijk besmet waren. Echter, voor deze periode werd de gemeente waarin een besmet bedrijf werd gevonden bekend gemaakt. Op de site van het RIVM stond een kaart met de gebieden waarin veel mensen ziek waren. Het bekendmaken van een exacte locatie zou niet van toegevoegde waarde zijn volgens de minister. Volgens de rechtbank heeft deze combinatie ervoor kunnen zorgen dat mensen voldoende in staat waren om eventueel preventieve maatregelen te nemen.

Over het algeheel is de staat niet in zijn informatieverplichting tekort geschoten, daarmee is geen sprake van onrechtmatig handelen van de staat. De vordering van de eisers wordt daarmee afgewezen en aansprakelijkheid van de staat kan volgens de rechtbank niet worden aangenomen in dit geval.[1]

Hoe nu verder?

Recent werd aangekondigd dat de slachtoffers in hoger beroep zullen gaan. Zij blijven van mening dat de kaarten die beschikbaar waren over besmette gebieden mensen onvoldoende konden informeren welke bedrijven besmet waren. Zij gaven namelijk slechts de besmette patiënten weer, en niet de bedrijven zelf. Daarnaast wensen veel slachtoffers vooral erkenning van hetgeen hen is overkomen.[2] Dit blijft om meerdere redenen een interessante zaak om in de gaten te houden. Het lijkt onbevredigend om voor een ziekte die zo veel slachtoffers heeft gemaakt geen verantwoordelijke aan te kunnen wijzen en daarmee de slachtoffers geen mogelijkheid te geven hun schade te verhalen. Daarnaast kan een dergelijke zaak hen erkenning geven voor hetgeen hen is overkomen, welke mogelijkheid hen op dit moment wordt ontnomen. We zullen de gang van zaken in het hoger beroep moeten afwachten om te kijken of dit oordeel in stand zal blijven.

[1] ECLI:NL:RBDHA:2017:587

[2] https://fd.nl/economie-politiek/1197909/q-koortspatienten-gaan-in-hoger-beroep

Reageer op dit bericht

Recente artikelen

Recente reactie

Door: Benni de Jong

Dit is een helder en verduidelijkend artikel!Al roept Vladimir Poetin ook bij mij enige wrevel en gruwel op, voor het voortbestaan van een land als Rusland is hij mijns inziens onmisbaar, al laat zijn politieke uitvoering zeer te wensen over. Zijn voorgangers waren zéker niet het antwoord op deze post-communistische (groot?)macht! Gorbatsjov was té voortvarend in zijn progressieve beleid, terwijl de vrouwen betastende, immer dronken Jeltsin er een puinhoop van maakte. In de jaren negentig was Rusland dan ook een broednest van criminelen, die vrijwel ongehinderd hun gang konden gaan : het tekende de geboorte van de Russische mafia, die, inmiddels naar het Westen doorverhuisd, onuitroeibaar blijkt te zijn! Poetin, tenslotte, "het gesorg dat alles wir reg gekom het"... welnu, veel dan toch.Volgens mij wordt het weer tijd voor het herstel van de post-tweedewereldoorlogse Sovjet-Unie (of het eerdere tsaristische Russische Rijk), qua grondgebied en mensenmassa dan, om een voorlopig tegenwicht te kunnen bieden aan opkomende grootheden als China en India, en wie weet aan welke landen in Azië en mogelijk ook in Latijns-Amerika en Afrika nog meer, voor zover die zich in de nabije toekomst zullen komen aandienen om een stuk van de machtstaart in de wereld mee te verorberen... Ook voor de rest van het noordelijk halfrond, ons leefgebied, zal dit een steun blijken te zijn.Het puntje "Nederlandse-taalgebruik" is nog wat zorgelijk bij Chantal. Echter, de schrijfster is een jongedame van 20 lentes, die zich in de loop der jaren op dat punt nog wel verder ontwikkelen zal. Haar opmerkzaamheid en historische verwijzingen laten niets aan scherpte en zorgvuldigheid te wensen over.Ga zo door, mejuffrouw Van der Welde!

Door: Carola Leenders

Mooi artikel Kyra! Trots op je!

Door: Erna Smittenberg

"Smittenberg" uiteraard ...:.)

Uw browser is niet meer van deze tijd!

Update uw browser om optimaal van deze website (en vele anderen) te genieten Nu updaten!

×