Promoveren

24 april 2018, 12:28

Promoveren

De carrièrespecial van de JFV Nijmegen probeert studenten een goede indruk te geven van de carrièremogelijkheden. Heb jij weleens aan promoveren gedacht? Ik interviewde mr. Sander van Dijk en mr. Niels Pannevis over de kunst van het promoveren. Sander (23) heeft in Nijmegen gestudeerd en hij is in oktober begonnen met promoveren aan de Radboud Universiteit. Hij is in 2012 begonnen met de bachelor Nederlands recht. Hierna heeft hij de onderzoeksmaster Onderneming & Recht  gedaan.  Deze master heeft hij afgelopen zomer afgerond. Niels (31) is in Utrecht begonnen met de studies Natuurkunde en Wiskunde. Toen is hij er rechten bij gaan doen. Dat is nogal uit de hand gelopen. Uiteindelijk is hij afgestudeerd in Nederlands privaatrecht en theoretische natuurkunde. Daarna wilde hij graag verder in het insolventierecht. Daarvoor vond hij Nijmegen de beste plek.  Hij heeft gesolliciteerd  voor een plek als promovendus.  Dat is inmiddels bijna vijf jaar geleden. Niels rond dit jaar zijn proefschrift af. Je promoveert maar tegelijkertijd werk je ook één dag in de week; is dit te combineren? Niels: Die vraag klopt niet helemaal. Promoveren is ook werken. Het is een misverstand dat promoveren een voortzetting van studeren is. Een promovendus voert de twee belangrijkste taken van een universiteit uit: onderwijzen en onderzoeken. Dat is in Nederland gelukkig een baan. Ik heb dus op dit moment twee banen. Ik werk vier dagen per week op de universiteit, en één dag per week in de praktijk bij RESOR. Dat is ook hartstikke leuk, maar soms is het wel een beetje jongleren om alle ballen in de lucht te houden. Daarnaast heb ik nog een tijdje voor het Tijdschrift voor Insolventierecht gewerkt. Het is veel werk maar je leert er ook ontzettend veel van. Waar gaat jouw promotieonderzoek over? Sander: Ik schrijf over de civielrechtelijke aansprakelijkheid voor een inbreuk op het (Europese) mededingingsrecht (zoals dat is de vinden in de artikelen 101 en 102 VWEU). In mijn onderzoek houd ik mij bezig met de vraag hoe mededingingsrechtelijke begrippen doorwerken in ons nationale privaatrecht. Ik geef een voorbeeld. Het mededingingsrecht richt zich tot ‘ondernemingen’. Het Hof van Justitie legt het begrip ‘onderneming’ functioneel uit. Iedere eenheid die een economische activiteit uitoefent, ongeacht haar rechtsvorm en de wijze waarop zij wordt gefinancierd, kortom: een economische eenheid, is een onderneming. Wat kort door de bocht zou je een concern kunnen zien als zo’n economische eenheid. Als één groepsvennootschap in strijd handelt met het mededingingsrecht (door bijvoorbeeld prijsafspraken te maken met concurrenten) dan ziet het Hof van Justitie dat als het ware als een inbreuk door het hele concern. Dit staat op gespannen voet met het uitgangspunt in het Nederlandse aansprakelijkheidsrecht en dat van andere lidstaten dat iemand slechts aansprakelijk is voor zijn eigen handelen. Moeten wij in Nederland dat mededingingsrechtelijke begrip onderneming een-op-een toepassen in ons civiele recht of ligt alles toch genuanceerder? Met mijn onderzoek probeer ik hier achter te komen. Waar gaat jouw promotieonderzoek over? Niels: Mijn onderzoek gaat over achtergestelde vorderingen. Dat is concreet een bepaalde financieringsfiguur. Het is ongeveer het volgende. Als iemand failliet gaat met tweehonderd euro aan schulden en honderd euro aan bezittingen, dan krijgt in principe iedere schuldeiser vijftig procent van wat hij te vorderen heeft. Sommige schuldeisers krijgen meer. De fiscus gaat bijvoorbeeld vaak voor. Andere schuldeisers krijgen minder. Die hebben een stapje terug gedaan en gezegd: “betaal eerst de rest maar en kom daarna pas bij mij”. Dat is een achterstelling, die schuldeiser heeft een achtergestelde vordering. Ik zou het niemand aanraden om zijn vordering achter te stellen, maar in de praktijk gebeurt het wel veel. Dat maakt het ook zo’n leuk onderwerp. Het gebeurt veel, maar er staat bijna niets over in de wet. De Faillissementswet is in 1893 geschreven. Toen bestonden achtergestelde vorderingen nog niet. Ik probeer een beetje te bedenken wat je daarmee zou moeten doen. Hebben jullie altijd het idee gehad om te promoveren? Niels: Ik heb dus eerst natuurkunde gestudeerd. Ik heb vooral heel lang nagedacht of ik door zou gaan met natuurkunde of met rechten. Bij natuurkunde was het wel het logische carrièrepad om te promoveren. Bij rechten had ik daar een stuk minder over nagedacht. Ik heb vrij lang heel serieus gedacht dat als ik rechten zou doen, dat ik dan gelijk na mijn studie advocaat zou worden. Maar ergens aan het begin van mijn master had ik geluncht met een studiegenoot van me die al heel duidelijk op weg was naar een promotietraject. Hij zei tegen mij: “Niels waarom ga jij eigenlijk niet promoveren?”. Toen ineens bedacht ik me dat hij wel een punt had. Ik begon daar eens goed over na te denken. Daarna ben ik eerst stage gaan lopen in de advocatuur om te helpen bij die beslissing. Maar wat is er nou mooier dan een boek schrijven over een onderwerp dat je interessant vindt? Dat is precies wat promoveren is.  Je kunt je een flinke tijd helemaal vastbijten in een onderwerp en dat echt goed uitzoeken. Bovendien mag je hier in Nijmegen ook nog proberen om studenten het recht bij te brengen. Onderwijs geven is ook heerlijk om te doen. Het is niet zo dat ik mijn hele studie helemaal gericht was op promoveren. Ik heb altijd gedaan wat op dat goed bij mij paste, en dat mondde uiteindelijk uit in promoveren. Sander: Ik heb natuurlijk wel de onderzoeksmaster gevolgd, maar niet met het enkele idee dat ik wilde promoveren. In mijn laatste bachelorjaar werd de bachelorthesis ingevoerd (die ik overigens bij Niels heb geschreven). Het onderzoeken en schrijven vond ik erg leuk, maar het ging me naar mijn mening nog niet soepel genoeg af. Ik wilde daar beter in worden. Ik kon toen ofwel zelf gaan spartelen en het zelf proberen of ik kon solliciteren voor de onderzoeksmaster, waarin je ruim de gelegenheid krijgt die onderzoeksvaardigheden te ontplooien. Ik koos voor dat laatste en werd aangenomen. Als je aan de onderzoeksmaster begint is het overigens niet vanzelfsprekend dat je dan ook gaat promoveren. Je wordt immers ook opgeleid tot een uitstekende praktijkjurist. Van de zeven mensen die deze master samen met mij hebben gedaan, zijn alleen één ander en ik gaan promoveren. De rest is in de commerciële rechtspraktijk terecht gekomen. Tijdens het volgen van de onderzoeksmaster dacht ik ook dat het nog alle kanten op kon. Ik heb een stage gelopen bij Houthoff en dat vond ik bijzonder interessant. Bij Houthoff werkte ik ook veel mee aan cassatiezaken. De cassatiepraktijk raakt erg aan wetenschap. Mede daarom vond ik mijn stage ook zo interessant. De interesse voor de wetenschap bleef dan ook na die stage knagen. Ik besloot dat ik alleen zou kiezen voor een promotietraject als ik een echt interessant onderwerp zou vinden. Een onderwerp waar ik me een paar jaar in vast zou willen bijten. En dat is gebeurd. In een collegereeks van de onderzoeksmaster, Europees privaatrecht, is de interesse voor mijn onderwerp gewekt. In dit vak hielden wij ons – onder begeleiding van prof. Hartkamp en prof. Sieburgh – bezig met de vraag hoe het Europese recht doorwerkt in ons nationale privaatrecht. Zo discussieerden wij ook over de vraag die ik uiteindelijk centraal heb gesteld voor mijn proefschrift. Ik heb bij prof. Sieburgh aangegeven dat ik graag op dat onderwerp wilde afstuderen. Tijdens het schrijven van mijn afstudeerartikel (in de onderzoeksmaster studeer je af op een wetenschappelijk artikel in plaats van een scriptie)  kwam ik erachter dat ik mijn onderwerp geen recht zou doen met een – relatief – kort artikel. Vervolgens vroeg prof. Sieburgh mij of ik niet verbonden wilde blijven aan de Radboud Universiteit om mijn afstudeerartikel uit te bouwen naar een proefschrift. En zo geschiede. Hoe verhoudt het geven van onderwijs zich tot het onderzoek? Niels: Dit verschilt per universiteit. Hier in Nijmegen zijn er drie varianten. De ‘gewone promovendus’ heeft hier driekwart onderzoekstijd en één kwart onderwijstijd. Bij de ‘junior docent’ is dit omgekeerd. Die hebben vanzelfsprekend ook iets langer voor het promoveren. Als laatste heb je nog de pure onderzoekspromovendus en die hebben honderd procent onderzoekstijd. Daar zijn er niet erg veel van. Bijna alle promovendi geven hier dus ook onderwijs. De combinatie onderwijs en onderzoek is soms uitdagend maar voegt ontzettend veel toe. Promoveren doe je op een heel klein en gespecialiseerd onderwerp,  door onderwijs te geven ontwikkel je je wat breder. Dit geldt zowel vakinhoudelijk als qua presentatievaardigheden. Onderwijs geven is een vorm van presenteren. Daar doe je dus veel ervaring in op door onderwijs te geven. Je leert er zelf dus ook veel van. Bovendien is het gewoon erg leuk om te doen. Sander: Ik heb minder onderwijservaring dan Niels, maar ik merk wel dat je jezelf met onderwijs moet dwingen om een paar stappen terug te zetten. Je bent met promoveren zo hypergefocust op één onderwerp, dat je soms vergeet dat onderwerp in een bredere context te plaatsen. Door het onderwijs blijf je erop bedacht dat die bredere context er ook daadwerkelijk is. Ik vind onderwijs dan ook ontzettend waardevol voor mijn onderzoek. Hoe plannen jullie je dagen in? Sander: Onderwijs geven kost vooral in het begin heel erg veel van je tijd. In het tweede semester geef ik weer onderwijs. Met alles wat daarbij komt kijken ben ik zo’n vier dagen fulltime bezig. De rest van de tijd besteed ik aan onderzoek. In hoe je die ‘onderzoekstijd’ invult, ben je erg vrij. Niels: Het is best een uitdaging om je onderzoek niet te laten lijden onder je onderwijs. Onderwijs vereist namelijk altijd direct aandacht. Dat moet gewoon voorbereid zijn op het moment dat je college geeft. Ook tentamenvragen moeten gewoon op tijd af zijn, dat kun je niet uitstellen. Onderwijs geven is ontzettend leuk, maar de voorbereiding kost veel tijd, en het heeft altijd een kortere deadline dan je onderzoek. Dat is wel eens lastig. Naarmate je verder komt in je onderzoek wordt ook daarvan de deadline steeds concreter. De vrijheid om je eigen tijd in te plannen verschilt ook flink tussen onderzoek en onderwijs. Bij onderwijs moet je er natuurlijk gewoon staan als dat ingeroosterd is. In het onderzoek bestaat een enorme vrijheid.  Dat is best bijzonder. Het maakt niet veel uit wanneer het onderzoek wordt gedaan, als de deadlines maar worden gehaald, en (vooral) er een goed stuk uit komt. Omdat er zo veel vrijheid bestaat; bestaat er ook zoiets als promoveren ontwijkend gedrag (POG)? Niels: Ja. Dat bestaat. De beste truc daartegen is om de deadline concreter te maken. Eén deadline over vijf jaar werkt niet. Concrete deadlines per hoofdstuk werken al een stuk beter. Dat begint met een goede planning maken en daar ook vaak naar kijken. Onderzoek is lastig te plannen. Ik heb ooit gehoord dat Einstein zei: “If we knew what it was we were doing it wouldn’t be called research”. Of hij dat ook echt gezegd heeft weet ik niet, maar die uitspraak klopt wel een beetje. Er valt wel eens iets tegen. Beter gezegd, in het onderzoek valt zelden iets mee. Het kost altijd meer tijd dan vooraf gedacht, meestal omdat je meer interessante dingen ontdekt dan je vooraf denkt. Het enige wat ik denk te weten is dat het proefschrift waarschijnlijk beter wordt als je er meer tijd in stopt. Maar zelfs dat klopt niet altijd. Sander: Ik denk dat zelfdiscipline hier het kernwoord is. Dat is echt een hard vereiste om te promoveren want anders red je het niet. Je kan het jezelf dus wel makkelijker maken door zelf deadlines te ‘verzinnen’. Niels: Je kan ook prima iemand vragen om jou aan je deadlines te houden maar als dat de enige manier is om een deadline te halen dan wordt promoveren wel moeilijk hoor. Wat voor studenten raden jullie aan om te gaan promoveren? Niels: Verreweg het belangrijkste is dat je het recht echt interessant vindt. De slechtste reden om te promoveren is dat je een doctorstitel wil hebben. Dat is een bijproduct. Maar als onderzoek iets voor je is dan is promoveren geweldig. Ik moet nog af en toe mezelf in mijn arm knijpen dat ik het voor elkaar heb gekregen om een boek te kunnen schrijven over een onderwerp dat ik echt interessant vind, en dat iemand anders mij daar dan geld voor geeft. Natuurlijk horen er ook dingen bij die minder leuk zijn, maar dat is in elke baan het geval. Bij promoveren en onderwijs geven hoort bijvoorbeeld ook tentamens nakijken. Dat vindt echt niemand leuk werk. Gelukkig vallen bij promoveren de minder leuke dingen heel erg mee. Sander: Je moet het echt heel leuk vinden. Intrinsieke motivatie is een must. Dat maakt het hele proces ook minder moeilijk. Als ik een keer een avondje doorwerk, dan is dat niet verplicht maar dan doe ik dat omdat ik dat leuk vind en op dat moment iets tot op de bodem uitgezocht wil hebben. En afsluitend een lastige vraag; waar zien jullie jezelf over 10 jaar? Sander: Ik ben natuurlijk pas begonnen dus dit is inderdaad een lastige vraag. Als het goed is ligt dat boek er dan al even. Daar ben ik in elk geval de helft van die tien jaar mee bezig. Ik heb het in elk geval onwijs naar mijn zin hier.  Hoe dit zich verder ontwikkelt weet ik niet. Als ik maar op plekken mag blijven komen waar mensen (minstens) net zo enthousiast worden van het recht als ik. Niels: Ik hoop ook dat het boek dan af is maar liefst toch wel een tijdje daarvoor. Ik ga als het boek af is eerst op reis, en dan fulltime aan het werk als advocaat bij RESOR. Dan wil ik graag een goede advocaat worden. Waar dat mij over tien jaar brengt? Dat weet ik nog niet. Waarschijnlijk een plek waar ik behoorlijk abstract met het recht bezig mag zijn. Website over promoveren:  http://www.ru.nl/rechten/graduateschool/  

Interview met de decaan: Piet Hein van Kempen

14 maart 2018, 11:15

Interview met de decaan: Piet Hein van Kempen

Piet Hein van Kempen is hoogleraar straf- en strafprocesrecht. Hij studeerde Nederlands recht aan de Universiteit van Tilburg, waar hij ook promoveerde. Van Kempen werkt sinds 2003 aan de Nijmeegse rechtenfaculteit. In 2007 werd hij tot hoogleraar benoemd. Sinds 2011 is hij hoofd van de vaksectie Strafrecht & Criminologie. Per 1 januari 2018 volgde hij Steven Bartels op als decaan van de rechtenfaculteit. Door: Dilara Khalfallah en Danique van den Tillaar U bent afgestudeerd in het Straf(proces)recht; waarom heeft u hiervoor gekozen? Laat ik beginnen met te zeggen dat ik zowel civiel recht als strafrecht ongelooflijk leuk vond. Ik moet ook eerlijk zeggen dat ik het heel erg moeilijk vond om daartussen te kiezen. Ik haalde zelfs nog wat hogere cijfers voor burgerlijk recht dan voor strafrecht maar uiteindelijk heb ik toch voor strafrecht gekozen. Dat kwam met name omdat ik de maatschappelijke vragen rondom het strafrecht bijzonder interessant vond. Toch ben ik er dik van overtuigd dat wanneer ik destijds voor het burgerlijk recht had gekozen ik dat ook leuk had gevonden. Mijn proefschrift gaat zowel over Internationaal recht als over strafrecht maar ook voor een belangrijk deel over burgerlijk- en bestuursrecht. Ik heb overigens absoluut geen spijt gehad van mijn keuze voor het strafrecht. U heeft tijdens uw loopbaan veel nevenactiviteiten gedaan naast uw werk, hoe was dat tijdens uw studententijd? Ik heb nominaal gestudeerd dus in vier jaar was ik helemaal klaar. In die tijd heb ik wel het één en ander naast mijn studie gedaan. Ik ben twee jaar student-assistent geweest bij Jaap de Hullu (tegenwoordig raadsheer in de Hoge Raad). Later werd hij ook een van mijn promotoren (de andere is Wim Valkenburg). Daarnaast was ik voor ongeveer anderhalf jaar student-assistent bij de TU in Eindhoven op het terrein Recht & Techniek. Als laatste heb ik nog een kleine twee jaar gewerkt bij de rechtswinkel waar ik arbeidsrecht deed. Waarom heeft u voor de wetenschap gekozen en niet voor de praktijk? Toen ik begon met mijn rechtenstudie was dat met het idee dat ik advocaat wilde worden. Echter kwam ik al meteen bij het eerste vak een aantal wetenschappelijke artikelen tegen. Ik vond het zo bijzonder dat iemand een bepaald juridisch probleem helemaal tot op de bodem kon uitpluizen en zijn of haar eigen mening kon formuleren. Ik werd kortgezegd meteen getriggerd door de wetenschap. Ik heb toen, dus in mijn eerste jaar, al besloten dat ik toch liever wetenschapper wilde worden. Tijdens het lopen van mijn student-assistentschappen werd ik sterk bevestigd in mijn keuze. Ik kreeg een mooi kijkje in de keuken van de wetenschap. Ik was ook steeds vastberaden om na mijn afstuderen te gaan promoveren. Hoe verliep uw loopbaan na uw afstuderen? Om te kunnen promoveren moet je wel een baan zien te vinden. De eerste zes maanden kon ik in Leiden aan de slag als docent strafrecht in de propedeuse. Terwijl ik daar werkte heb ik samen met de Tilburgse promotor gewerkt aan een onderzoeksvoorstel. De uitdaging was om te kijken of voor mijn onderzoek financiering gevonden kon worden zodat de Universiteit van Tilburg kon ‘matchen’. Dat is uiteindelijk gelukt want ik heb contact gelegd met het T.M.C. Asser Instituut in Den Haag en ik heb hen bereid gevonden de samenwerking met de Universiteit van Tilburg aan te gaan. Er is een overeenkomst tot stand gekomen waarbij het T.M.C. Asser Instituut de helft van mijn aanstelling betaalde. Het begin van mijn proefschrift ging heel erg goed. Na drie jaar was ik al voor een heel eind klaar. Alles duidde erop dat ik binnen vier jaar zou kunnen promoveren. Echter waren er op dat moment vacatures voor Postdocs. Mij werd gevraagd of ik op zo’n plek wilde solliciteren. Ik was nog niet gepromoveerd maar zij dachten dat ik dat zou kunnen. Ik heb dat uiteindelijk gedaan. Alles ging zoals gezegd heel erg goed maar door het worden van Postdoc liep ik enorme vertraging op met het schrijven van mijn proefschrift. Vervolgens kwam er ook nog een belangrijk wetsvoorstel op mijn onderwerp overheen. Dit alles heeft ervoor gezorgd dat ik uiteindelijk bijna zes jaar over mijn proefschrift heb gedaan. Van meet af aan speelde ik met de gedachte dat ik na afronding van mijn proefschrift ergens anders zou gaan kijken. Niet omdat Tilburg niet beviel maar omdat ik vond dat verandering goed was. Mijn tip voor iedereen is dan ook: durf ook een overstap te maken. Je leert zo veel door te werken in een andere kring met nieuwe taken en nieuwe mensen. Veranderen kon in mijn ogen op twee manieren: of naar een andere universiteit of werken bij het ministerie van justitie als wetgevingsambtenaar. Net op dat moment werden er enorme bezuinigingen afgekondigd en ging dat laatste niet door. In Nijmegen kwam toen ook een vacature vrij en daar heb ik direct gesolliciteerd. Daar heb ik nooit spijt van gehad want ik werk hier heel graag. En hoe word je dan uiteindelijk hoogleraar? In 2003 ben ik als universitair docent aan deze faculteit begonnen. Dat ging heel goed en al na twee jaar werd ik universitair hoofddocent op persoonlijke titel. Ook dat ging goed. Naast dat ik me bezig hield met strafrecht vond ik de mensenrechten heel interessant. Op een zeker moment ging de hoogleraar ‘Rechten van de mens’ (professor van Genugten) hier weg en kwam er een open procedure op gang. De commissie verzocht mij om op deze positie te solliciteren. Ik had hier nog nooit ook maar één seconde over nagedacht. Uiteindelijk heb ik het gedaan en ben ik het geworden. Ik werd uiteindelijk in 2007 benoemd als hoogleraar ‘Rechten van de mens’. Het strafrecht bleef mij echter aanspreken. Bij andere universiteiten waren er vacatures voor het hoogleraarschap strafrecht. De Radboud Universiteit heeft daar niet op willen wachten en heeft mij een hoogleraarschap aangeboden. Daar ben ik nog steeds heel dankbaar voor. Ik was ook nog steeds hoogleraar ‘Rechten van de mens’. Weer later vertrok Ybo Buruma en kwam er een zogenaamde ‘kernleerstoel’ (degene die deze functie bekleedt is hoofd van de vaksectie) strafrecht vrij. Dat was wederom een open procedure. In Nijmegen wordt echt open geworven om de beste mensen binnen te halen. Dit was inmiddels mijn derde hoogleraarsprocedure en ook deze heb ik met succes doorlopen (2011). Toen kwam er even een rustige fase maar in 2018 ben ik decaan geworden. Sinds begin dit jaar vervult u dus de functie van decaan; voldoet dit aan uw verwachtingen? Dat is misschien iets te vroeg om te zeggen maar ik wil er wel graag iets algemeens over kwijt. Ik was eerst vice-decaan. Als vice-decaan kijk je uiteraard goed mee met de decaan. De werkzaamheden komen dan ook niet als een totale verrassing. Ik moet zeggen dat ik voor mijn gevoel lekker ben begonnen en de eerste twee maanden zijn dan ook goed bevallen. Ik vind het leuk om deze functie te vervullen aan zo’n mooie faculteit als deze. Als je een mooie faculteit hebt, moet je ook mensen hebben die ervoor zorgen dat de faculteit mooi blijft. Daarom heb ik de functie van decaan aanvaard. Er liggen tegelijkertijd ook allerlei kansen. De basis staat goed maar de omgeving verandert en dat biedt nieuwe uitdagingen. Die uitdagingen aangaan doe je niet door stil te blijven staan maar dat doe je door die nieuwe kansen en uitdagingen te omarmen. Ik probeer accenten te leggen die ervoor zorgen dat de faculteit ook in de toekomst goed blijft. Wat zijn uw doelstellingen als decaan? Ik zou graag willen dat studenten al wat eerder in het diepe worden gegooid. We denken na over de jurist van de toekomst en ik ben er absoluut van overtuigd dat zolang er samenlevingen zijn er ook juristen zullen bestaan. De jurist die nodig is zal wel wat veranderen. In Nijmegen leiden wij echt goede juristen op. Als je hier klaar bent dan heb je het systeem goed in de vingers en kan je goed met het recht overweg. Door automatisering verandert het veld wel. Werk dat vroeger door juristen werd gedaan gaat nu vaak vrij automatisch. Dat zie je op allerlei gebieden zoals bijvoorbeeld bij het contractenrecht. Bij wijze van spreken hoef je nu slechts op een knop te drukken en het contract rolt eruit. Dat neemt niet weg dat er altijd situaties voor gaan komen die weer om nieuw recht vragen; hoe ga je daarmee om? Daar moeten wij juristen voor blijven opleiden. Deze juristen moeten analytisch sterk zijn en ook creatief. Dat is volgens mij de jurist van de toekomst. We hebben voor deze manier van opleiden in de afrondende fase van de bachelor maar vooral ook in de master al veel aandacht maar het is verstandig om daar al eerder, in de propedeuse, aandacht aan te besteden. U vervult de functie van Secretaris-Generaal bij de International Penal and Penitentiary Foundation (IPPF), wat is dit voor organisatie? De IPPF stamt al uit 1872. In 1872 was er een groep van met name Europese landen die vonden dat er meer nagedacht moest worden over de inrichting van gevangenissen en de wijze van behandelen van delinquenten om er betere mensen van te maken. Een aantal experts kwam bij elkaar en die hebben het ‘International Prison Commission’ opgericht. Deze Commission werd onderdeel van de Volkerenbond. Deze organisatie viel na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog uit elkaar wat aanleiding was voor het oprichten van de Verenigde Naties (VN). Inmiddels was deze Commission veranderd in de ‘International Penal and Penitentiary commission’. Deze commissie paste op een gegeven moment niet meer binnen de organisatie van de VN maar zij vonden dat deze commissie op eigen kracht door moest. De algemene vergadering van de VN heeft derhalve een foundation (stichting) opgericht onder Zwitsers recht. Dit werd uiteindelijk de IPPF. De IPPF heeft een gouvernementele structuur en daarbij horen ook lid-landen. Ieder van deze lid-landen heeft drie zetels in de algemene vergadering. Die zetels worden vervult door één hoge rechter (hoven, hoge raden, constitutionele hoven), één hooggeplaatste justitiemedewerker of iemand die in de gevangeniswereld werkt en één academicus. Daarboven zit nog een bestuur met de allereerst de president. Hij is het gezicht van de organisatie. Daarnaast heb je een Secretaris-Generaal, deze functie mag ik sinds 2010 vervullen. Als laatste heb je nog een penningmeester. Zij vormen samen de ‘core board’. Wat zijn uw werkzaamheden binnen de IPPF? De afgelopen jaren ben ik veel bezig geweest met het wijzigen van de statuten. De statuten uit 1952 voldeden niet meer aan het Zwitsers recht. Die statuten aanpassen was ontzettend veel werk maar biedt ook heel veel kansen. Ik wilde de organisatie vergroten. Inmiddels hebben we drie committees. Één met de vijfentwintig lid-landen (first committee), één committee waar wij alle experts in kunnen benoemen (second committee) en één committee waarbij wij mensen betrokken kunnen houden bij de foundation (third committee). De laatstgenoemde groep bieden we een fellowship aan. Daarnaast organiseer ik één keer in de ongeveer 1,5 jaar een vierdaags congres ergens op de wereld. Als Secretaris-Generaal ben ik verantwoordelijk voor de inhoud van het programma. De congressen die ik heb georganiseerd hebben respectievelijk in Wellington (Nieuw-Zeeland), Bangkok (Thailand), Helsinki (Finland) en op de Azoren (Portugal) plaatsgevonden. De volgende zal plaatsvinden in Valparaíso (Chili). Naar aanleiding van elk congres wordt een bundel uitgebracht en we zijn inmiddels al een aardige serie aan het opbouwen. Wat wilt u de Nijmeegse student meegeven? Doe vooral wat je echt boeit en doe dat dan zo goed als je kunt. Kies een richting die je erg aanspreekt en ga er dan ook echt voor. Dat is voor jezelf heel belangrijk maar ook voor heel veel andere mensen die van juristen afhankelijk zijn. Dus doe dat ook echt goed.

Onderwijs aan de Radboud Universiteit; een niet vanzelfsprekende vanzelfsprekendheid!
Jorrit Peters

14 november 2017, 11:27

Onderwijs aan de Radboud Universiteit; een niet vanzelfsprekende vanzelfsprekendheid!

J.J.M. Peters[1] Een docent zwoegt voor het college, de student leest eens wat in de weids voorgeschreven literatuur, werkgroeponderwijs is verplicht en er is koffie tijdens het academisch kwartiertje. De wereld van het wetenschappelijk onderwijs bestaat voor de student uit vanzelfsprekendheden. Het universitair onderwijs oogt universeel. Juridisch gezien is dat een valse schijn. De schoolstrijd heeft Nederland opgezadeld met een onderscheid tussen openbaar en bijzonder onderwijs. Universiteiten zijn daardoor in hun doen en laten verschillende organisaties in juridisch perspectief. De Radboud Universiteit is net als de Tilburg University en de Vrije Universiteit Amsterdam te beschouwen als bijzondere universiteit.[2] Wat brengt dat voor een bijzonder rechtsregime met zich mee? Hoeveel merkt een student daarvan als hij tegen een beslissing van die universiteit op wil komen? In deze bijdrage een beknopte uiteenzetting over die vragen ter zake van de juridische positie van een instelling van bijzonder universitair onderwijs. In Nederland kennen we twee stromen in het onderwijs: het openbaar onderwijs en het bijzonder onderwijs.  Het openbaar onderwijs wordt van overheidswege verzorgd. De onderwijsinstellingen zijn overheidsinstellingen en hun handel en wandel wordt grotendeels beheerst door het publiekrecht.  Openbaar onderwijs is – zoals de naam al doet vermoeden—voor iedereen toegankelijk ongeacht levensbeschouwelijke of religieuze overtuiging. Er gaat ook geen levensbeschouwelijke of religieuze boodschap van uit. Bijzonder onderwijs is levensbeschouwelijk of religieus juist niet neutraal en daarmee ook niet voor iedereen toegankelijk. Op grond van het tweede lid van artikel 23 Grondwet, staat het eenieder vrij om onderwijs te verzorgen met vrijheid van richting.[3] Dat wil zeggen dat men het onderwijs naar eigen levensbeschouwelijk en religieus inzicht mag inrichten zonder dat de overheid zich hierin inhoudelijk mengt. Bijzonder onderwijs wordt dan ook niet door instellingen van de overheid verzorgd maar door particulieren en is genormeerd naar het privaatrecht. Helemaal gevrijwaard van publiekrechtelijke regels is het bijzonder onderwijs niet. Artikel 23 Grondwet geeft de overheid de bevoegdheid toezicht te houden op de kwaliteit van het bijzonder onderwijs en de overheid mag inhoudelijk eisen stellen, die tot uitdrukking komen in de zogeheten bekostigingsvoorwaarden gesteld aan het bijzonder onderwijs.[4] Het toezicht op de kwaliteit ziet op de bekwaamheid van het doceren. De bekostigingsvoorwaarden zijn praktisch gezien verplichtingen die door de overheid worden gesteld via de subsidiëring van het bijzonder onderwijs. [5] Voldoet een bijzondere onderwijsinstelling niet aan de gestelde eisen van de overheid dan ontvangt zij op dat punt minder of zelfs geen subsidie. De bekostigingsvoorwaarden hebben dus betrekking op de financiering van de bijzondere onderwijsinstelling, maar nopen –in tegenstelling tot openbare onderwijsinstellingen—niet tot interne verplichtingen voor de bijzondere onderwijsinstelling.[6] De invulling die bijzondere onderwijsinstellingen geven aan de organisatie, toelatingseisen en onderwijs-en examenregelingen zijn privaatrechtelijk van aard en daar heeft de overheid in beginsel niets mee van doen.[7] In de praktijk blijkt het onderscheid in bekostigingsvoorwaarden voor bijzonder onderwijs en de wettelijke regels voor openbaar onderwijs juridisch minder scherp te zijn.  Het bijzonder onderwijs is veelal grotendeels afhankelijk van overheidsfinanciering en de toenemende eisen die de overheid hierbij stelt, doen de grens tussen bekostigingsvoorwaarden en wetgeving vervagen.[8] Niet alleen vanuit een principieel opzicht blijft er desalniettemin onderscheid bestaan, ook het juridisch regime is verschillend. Dat bespeurt een student bij de (universitaire) onderwijsinstelling zodra hij het niet eens is met de beslissing van de instelling die hem aangaat. De student bij het openbaar onderwijs dient dan een wezenlijk andere beroepsweg te bewandelen dan bij bijzonder onderwijs, en inhoudelijk spelen de verschillen in het rechtskarakter in de publiekrechtelijke en privaatrechtelijke normering van beide onderwijsvormen op; de vervaging ten spijt. Hoe zit dit verschil binnen het universitair onderwijs globaal in elkaar? Op grond van artikel 7.60 Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (hierna: de Whw) is iedere onderwijsinstelling – zowel de openbare als de bijzondere – verplicht een College van beroep voor examens in te stellen waar een student beroep kan aantekenen tegen een beslissing vernoemd in art. 7.61 lid 1 sub a t/m g Whw.[9] De instelling en werkwijze van dit College is voor bijzonder als openbaar onderwijs gelijk maar kent een cruciaal verschil: beslissingen genomen in het openbare onderwijs leveren wél een Awb besluit op maar in het bijzonder onderwijs niet.[10] Dat kan bevreemden nu beide instellingen het universele universitaire onderwijs verzorgen, maar is de erfenis van de historische schoolstrijd. Beide stromingen van onderwijs ondernemen dezelfde activiteiten maar de uitkomst daarvan levert bij de een wel een appellabel besluit op als bedoeld in 1:3 Awb met bijbehorende rechtsbescherming bij de bestuursrechter en bij de ander niet. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft dit onderscheid tussen openbaar en bijzonder onderwijs scherp aangezet bij het universitaire onderwijs.[11] De Afdeling maakt in haar uitspraak van 19 juli 2006 uit de memorie van toelichting bij de Whw op dat de door de wetgever gestelde uitzonderingen die de Whw aanbrengt op de Awb uitsluitend betrekking hebben op openbare instellingen van universitair onderwijs.[12] Zij laat daaruit volgen dat voor bijzondere instellingen geldt dat de Awb niet op hun handelen van toepassing is en in zoverre geen b-orgaan kunnen zijn. Dat sluit dus uit dat een beslissing bij een bijzondere universitaire onderwijsinstelling kan worden aangemerkt als een besluit in de zin van art. 1:3 Awb. Op dit uitgangspunt geldt een onvermijdelijke uitzondering: het instellingsbestuur van een bijzondere universiteit geldt wél als bestuursorgaan – en neemt derhalve een besluit – zodra het beslist over de afgifte van een getuigschrift.[13] Dat kan ook moeilijk anders: aan het getuigschrift – in de volksmond ook wel ‘de bul’ of ‘het diploma’ genoemd – zit een wettelijk beschermde titel verbonden met wettelijke rechten (denk aan het recht om te promoveren en het civiel effect) en dat is een evident publiekrechtelijk rechtsgevolg.[14] Bij die beslissing is het instellingsbestuur aan te merken als een bestuursorgaan in de zin van art. 1:1 lid 1, aanhef en onder b, Awb. De beslissing is wél een besluit in de zin van de Awb en er staat een beroepsgang richting de bestuursrechter open. Bij alle andere – voorafgaande – beslissingen van de bijzondere onderwijsinstelling is er geen sprake van een besluit en dient de burgerlijke rechter te worden restrechter op te treden.[15] Samenvattend kent het onderwijsrecht in Nederland dus ook twee stromingen in de rechtsgang: in het openbaar onderwijs speelt allerwegen de gang naar de bestuursrechter (uiteraard niet als het feitelijke handelingen of privaatrechtelijke rechtshandelingen betreft) en het bijzonder onderwijs kent maar één besluit met die rechtsgang: bij het afgeven van een diploma door het instellingsbestuur. Andere juridische aangelegenheden dienen aan de burgerlijke rechter te worden voorgelegd. Een concreet voorbeeld waarbij het juridische verschil opspeelt betreft het zogeheten bindend studieadvies (BSA). Bij geschillen rondom het BSA blijkt dat het BSA een publiekrechtelijke en privaatrechtelijke ‘versie’ kent. Het verstrekken van het BSA door de Hanzehogeschool Groningen wordt niet aangemerkt als een beslissing waarop de Awb op van toepassing is, de Hanzehogeschool Groningen is immers een privaatrechtelijke rechtspersoon in het bijzonder onderwijs en niet aan te merken als een bestuursorgaan.[16] Men zal met deze ‘versie’ van het BSA naar de burgerlijke rechter moeten gaan. Daarentegen kent de Universiteit van Amsterdam een publiekrechtelijke ‘versie’ van het BSA. Daar bracht de Examencommissie van de Faculteit der Economische Wetenschappen en Econometrie een negatief BSA uit. Deze beslissing van de Examencommissie werd wel als een besluit van een bestuursorgaan in de zin van art. 1:1 lid 1 sub a gezien omdat de Examencommissie haar adviesbevoegdheid direct aan de Whw ontleent.[17] Het voorbeeld van het BSA illustreert dat openbare en bijzondere onderwijsinstellingen middels het geven van een BSA precies dezelfde soort beslissing maken maar dat door het onderscheid er in de beroepsgang twee verschillende versies van het BSA in omloop zijn.[18] Het onderscheid tussen de openbare universitaire onderwijsinstelling en die op bijzondere leest geschoeid kent een principiële historie en ook een principiële uitwerking. Opmerkelijk is dan te constateren dat beide onderwijsinstellingen bij hun eigen rechtsgang aangewezen zijn – uit eigener beweging – op hetzelfde rechterlijke college waarop beroep openstaat: het College van Beroep voor het Hoger Onderwijs (CBHO).  Dit college is een onafhankelijke beroepsrechter die in beginsel voor het openbaar onderwijs toegankelijk is.[19] Een bijzondere instelling kan, eventueel met andere bijzondere onderwijsinstellingen een vergelijkbaar college instellen. In de praktijk blijken bijzondere onderwijsinstellingen hier geen gebruik van te maken en kiezen net als openbare onderwijsinstellingen voor de rechtsgang  bij het CBHO.[20] Nemen we opnieuw de BSA-perikelen als voorbeeld. Beide onderwijsinstellingen kennen een formele beroepsmogelijkheid bij het bindend studieadvies bij het CBHO. Het CBHO heeft te dealen met het verschillend rechtsregime. Dat doet het college ook: het toetst (marginaal) het BSA aan de tussen de bijzondere onderwijsinstelling en student gemaakte privaatrechtelijke afspraken en de daarbij geldende redelijkheid en billijkheid.[21] Bij de openbare onderwijsinstellingen toetst het CBHO aan de hand van de WHW en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. [22] Dan blijkt het college via de invulling van de `open normen’ de uiteindelijke resultaten van de verschillende toetsing van de verschillende beslissingen heel dicht bij elkaar te kunnen krijgen. Het onderscheid tussen openbare en bijzondere instellingen blijft het onderwijs in ons land verdelen. De inhoudelijke normering van het onderwijs heeft dientengevolge een heel ander karakter. Op principiële gronden is dat onderscheid door de Afdeling bestuursrechtspraak scherp aangezet. Dat een ander rechtsregime gezien de eenduidigheid van activiteiten tamelijk onbegrijpelijk raakt en praktisch onhandig zijn argumenten die het afleggen tegen de historische fundering van het onderscheid. Hoe wonderlijk is dan de constatering dat dit onderscheid alsnog gedempt wordt door een creatieve rechter die in beide rechtsgangen als bevoegde rechter optreedt. Nederland blijkt alleszins toch een polderland te zijn! [1] Jorrit Peters is derdejaars student Nederlands Recht en zit in de medezeggenschap van de Faculteit der Rechtsgeleerdheid te Nijmegen. [2] Zie Wet op hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek Wwh. [3] P. Zoontjens, Bijzonder en openbaar onderwijs, AA 2003, p. 59. [4] C.A.J.M. Kortmann, bijzondere examencommissies, AA 2006, p. 297. [5] P. Zoontjens, Inleiding tot de onderwijswetgeving, Den Haag: Elsevier 1999, p. 15. [6] Kortmann, 2006, p. 298. [7] B.P. Vermeulen, Constitutioneel onderwijsrecht, Den Haag: Elsevier 1999, p. 63. [8] Zoontjens, 1999, p. 15. [9] P. Neijt, Ervaringen met het onderwijsrecht binnen het Landelijk Studenten Rechtsbureau, AA 2001, p. 2. [10] B.P. Vermeulen, De betekenis van de Algemene wet bestuursrecht voor het bijzonder onder hoger onderwijs, AA 2001, p. 4. [11] B.P. Vermeulen, AB 2007/41. [12] ABRvS 19 juli 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AY4273 (Hogeschool Zuyd) r.o. 2.4.4., Kamerstukken II 1995/96, 24 646 nr. 3, p. 30. [13] ABRvS 19 juli 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AY4273 (Hogeschool Zuyd) r.o. 2.4.5. [14] J.A.F. Peters, JB 2006/257. [15] Kortmann, 2006 AA p. 299. [16] J.A.F. Peters, AB 2010/207., ABRvS 10 december 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BL2859 (Hanzehogeschool Groningen). [17] ABRvS 12 juli 2006, ECLI:NL:RVS:2006:AY3709. [18] J.A.F. Peters, AB 2010/207. [19] P. Neijt, AA 2001, p. 97. [20] Zoontjens, 1999 p. 204. [21] zie onder andere CBHO 21 december 2015, 2015/152 en CBHO 28 november 2012 2012/072. [22] zie onder andere CBHO 23 juni 2015 2015/314 en CBHO 22 februari 2012 2012/252.


Recente artikelen

Recente reactie

Door: Chantal van der Weide

Beste Benni de Jong, bedankt voor je scherpe en goed geformuleerde reactie. Ik deel je mening ook volkomen.

Door: Benni de Jong

Dit is een helder en verduidelijkend artikel! Al roept Vladimir Poetin ook bij mij enige wrevel en gruwel op, voor het voortbestaan van een land als Rusland is hij mijns inziens onmisbaar, al laat zijn politieke uitvoering zeer te wensen over. Zijn voorgangers waren zéker niet het antwoord op deze post-communistische (groot?)macht! Gorbatsjov was té voortvarend in zijn progressieve beleid, terwijl de vrouwen betastende, immer dronken Jeltsin er een puinhoop van maakte. In de jaren negentig was Rusland dan ook een broednest van criminelen, die vrijwel ongehinderd hun gang konden gaan : het tekende de geboorte van de Russische mafia, die, inmiddels naar het Westen doorverhuisd, onuitroeibaar blijkt te zijn! Poetin, tenslotte, "het gesorg dat alles wir reg gekom het"... welnu, veel dan toch. Volgens mij wordt het weer tijd voor het herstel van de post-tweedewereldoorlogse Sovjet-Unie (of het eerdere tsaristische Russische Rijk), qua grondgebied en mensenmassa dan, om een voorlopig tegenwicht te kunnen bieden aan opkomende grootheden als China en India, en wie weet aan welke landen in Azië en mogelijk ook in Latijns-Amerika en Afrika nog meer, voor zover die zich in de nabije toekomst zullen komen aandienen om een stuk van de machtstaart in de wereld mee te verorberen... Ook voor de rest van het noordelijk halfrond, ons leefgebied, zal dit een steun blijken te zijn. Het puntje "Nederlandse-taalgebruik" is nog wat zorgelijk bij Chantal. Echter, de schrijfster is een jongedame van 20 lentes, die zich in de loop der jaren op dat punt nog wel verder ontwikkelen zal. Haar opmerkzaamheid en historische verwijzingen laten niets aan scherpte en zorgvuldigheid te wensen over. Ga zo door, mejuffrouw Van der Welde!

Door: Carola Leenders

Mooi artikel Kyra! Trots op je!

Door: Erna Smittenberg

"Smittenberg" uiteraard ...:.)

Door: Erna Smuttenberg

Mooi artikel Kyra! Ik wilde vroeger bij de Milva! Maar of veel vrouwen het met me eens zijn....Ontwikkeling is niet te stoppen denken ik!

Uw browser is niet meer van deze tijd!

Update uw browser om optimaal van deze website (en vele anderen) te genieten Nu updaten!

×