Een beroep op verjaring, soms onaanvaardbaar?

Als Dirk de auto van Jan beschadigt, dan heeft Jan een vordering op Dirk tot het vergoeden van de schade. Dit recht kan bijvoorbeeld voortvloeien uit de onrechtmatige daad, art. 6:162 BW. Jan moet zijn rechtsvordering wel binnen een bepaalde termijn instellen. Als hij dit niet binnen een termijn van vijf jaar doet nadat hij bekend is geworden met de schade of in ieder geval binnen een termijn van twintig jaar na de gebeurtenis, dan vervalt zijn rechtsvordering tot de vergoeding van schade (art. 3:310 lid 1 BW). Als jouw auto wordt beschadigd en jij weet wie dit heeft gedaan, dan zul je doorgaans binnen de verjaringstermijn je rechtsvordering instellen. Wat als iemand toch te laat is met het instellen van zijn vordering tot schadevergoeding? Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn bij asbestslachtoffers die te maken krijgen met mesothelioom-kanker. Vaak openbaart deze vorm van kanker zich pas na het verstrijken van de verjaringstermijn. In deze gevallen geldt een absolute verjaringstermijn van dertig jaar (art. 3:310 lid 2 BW).

In 2000 heeft de Hoge Raad een belangrijk arrest gewezen met betrekking tot asbestslachtoffers. Het ging in deze zaak om van Hese, die van 1950 tot en met 1963 in dienst was bij de Schelde. Tijdens zijn werkzaamheden is hij blootgesteld aan asbest en is er in 1996 mesothelioom-kanker bij hem geconstateerd. Van Hese stelde de Schelde aansprakelijk en stelde een vordering tot schadevergoeding in bij de rechter. De schelde verweerde zich met een beroep op bevrijdende verjaring. De termijn van dertig jaar was immers al verstreken. De Hoge raad oordeelde dat in uitzonderlijke gevallen een beroep op verjaring naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar kan zijn in de zin van art. 6:2 BW.[1] Het gaat slechts om uitzonderlijke gevallen omdat je enerzijds het belang van de benadeelde hebt die gerechtigheid wil. Anderzijds moet de ratio van bevrijdende verjaring niet uit het oog worden verloren, namelijk het dienen van de rechtszekerheid. Van zo’n uitzonderlijk geval kan sprake zijn als de schade verborgen is gebleven en dit pas aan het licht is gekomen na het verstrijken van de verjaringstermijn. Dit is vaak ook het geval bij asbestslachtoffers.

De rechter dient bij zijn beoordeling een aantal gezichtspunten in acht te nemen:
a) Of het gaat om vergoeding van vermogensschade dan wel van nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, en – mede in verband daarmede – of de gevorderde schadevergoeding ten goede komt aan het slachtoffer zelf, diens nabestaanden of een derde;
b) In hoeverre het slachtoffer of zijn nabestaanden ter zake van de schade aanspraak hebben op een uitkering uit anderen hoofde;
c) De mate waarin de gebeurtenis de aangesprokene kan worden verweten; d) In hoeverre de aangesprokene reeds voor het verstrijken van de verjaringstermijn rekening heeft gehouden of had behoren te houden met de mogelijkheid dat hij voor de schade aansprakelijk zou zijn;
e) Of de aangesprokene naar redelijkheid nog de mogelijkheid heeft zich tegen de vordering te verweren;
f) Of de aansprakelijkheid door verzekering is gedekt;
g) Of na het aan het licht komen van de schade binnen redelijke termijn een aansprakelijkstelling heeft plaatsgevonden en een vordering tot schadevergoeding is ingesteld.[2]

Nu rijst de vraag in hoeverre de verschillende gezichtspunten moeten worden afgewogen en of bepaalde gezichtspunten zwaarder wegen dan de ander.

Asbestclaims  
Door de jaren heen zijn er diverse zaken voor de rechter gekomen van asbestslachtoffers waarbij de verjaringstermijn al was verstreken. De Jong was in de jaren ’50 werkzaam bij Optimodal. Tijdens zijn werkzaamheden is hij blootgesteld aan asbest. In 1997 is er mesothelioom-kanker bij hem vastgesteld en in 2001 heeft hij Optimodal aansprakelijk gesteld tot vergoeding van zijn schade. De rechter acht het hier vooral van belang of Optimodal een verwijt kon worden gemaakt (gezichtspunt c) en binnen welke termijn de Jong zijn vordering heeft ingesteld (gezichtspunt g). De rechter vond dat de Jong te lang had gewacht me het instellen van zijn vordering en oordeelde uiteindelijk dat een beroep op verjaring niet onaanvaardbaar is.[3]

In 2005 hebben de nabestaanden van een asbestslachtoffer wel een succesvol beroep kunnen doen op de onaanvaardbaarheid van de verjaring. In deze zaak had een aannemer in 1971 asbestplaten geleverd bij het huis van de vader van eiser. In 2002 is er mesothelioom-kanker bij vader geconstateerd en hij overlijdt kort daarna. De nabestaanden dienen een eis tot schadevergoeding in bij de aannemer. De rechter vond dat de aannemer een ernstig verwijt kon worden gemaakt (gezichtspunt c) omdat hij al bekend was met de schadelijkheid van asbestplaten en dus ook een claim zou kunnen verwachten (gezichtspunt d).[4] 

De meest recente uitspraak over een asbestclaim komt uit 2017. Ook hier was de verjaringstermijn tot het instellen van schadevergoeding al verstreken. In deze zaak was het voornamelijk van doorslaggevende betekenis of gedaagde zich nog redelijkerwijs kon verweren (gezichtspunt e) en of hem een verwijt kon worden gemaakt. Gedaagde had geen beschikking meer over bepaalde informatie en kon zich dus ook niet verweren. Daarnaast kon hem geen verwijt worden gemaakt. Net als in de uitspraak de Jong/Optimodal werd een beroep op verjaring niet onaanvaardbaar geacht.[5]

Andere gevallen
In 2011 heeft de rechtbank geoordeeld dat de gezichtspunten uit het arrest Hese/de Schelde ook in andere zaken dan asbestclaims kunnen worden toegepast en dat de uitzonderlijke gevallen zich niet slechts beperken tot de gevallen van ‘verborgen schade’.[6]

In 2015 heeft een slachtoffer de Congregatie van een jongensinternaat aansprakelijk gesteld voor schade als gevolg van seksueel misbruik en geweld in de periode van 1964-1971. In 2010 stelt hij de Congregatie aansprakelijk en in 2014 stelt hij zijn vordering in bij de rechtbank. Het slachtoffer had volgens de rechtbank niet binnen een redelijke termijn zijn vordering ingesteld, omdat hij al sinds 1993 bekend was met de schade (gezichtspunt g). Het feit dat de Congregatie zich niet meer voldoende kon verweren, door het verlies van dossiers, vond de rechtbank ook zwaar wegen (gezichtspunt e). Een beroep op verjaring was in deze zaak niet onaanvaardbaar.[7]

Ook in een ander geval werd een beroep op het verstrijken van de verjaringstermijn niet onaanvaardbaar geacht. Eiser vordert schadevergoeding van stichting Amphia omdat hij in 1953 is verwisseld met een andere baby door de rechtsvoorganger van de stichting. De rechtbank heeft hier alle gezichtspunten afgewogen en vond het feit dat eiser drie jaar heeft gewacht met het instellen van een vordering zwaar wegen (gezichtspunt g). Daarnaast achtte de rechtbank het van belang dat de stichting zich niet voldoende kon verweren (gezichtspunt e).[8]

Bij de beoordeling van de vraag of een beroep op verjaring onaanvaardbaar is, dient de rechter de verschillende gezichtspunten in acht te nemen. Het blijkt dat de verwijtbaarheid, de mogelijkheid tot het voeren van verweer en de duur van het instellen van de vordering vooral van doorslaggevende betekenis zijn. In uitzonderlijke gevallen is het dus mogelijk om een beroep op verjaring onaanvaardbaar te achten. Echter, blijkt uit de behandelde uitspraken dat dit niet zo snel wordt aangenomen vanwege de rechtszekerheid die wordt gediend bij de absolute verjaringstermijn.


[1] HR 28 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5635.

[2] HR 28 april 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA5635, r.o. 3.3.3, NJ 2000/430. 

[3] HR 26 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR3138, NJ 2006/228.

[4] HR 25 november 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT8782, NJ 2009/103.

[5] HR 24 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:494, NJ 2017/313, m.nt. J. Spier.

[6] Rb. ’s-Gravenhage 14 september 2011, ECLI:NL:RBSGR:2011:BS8793, NJ 2012/578.

[7] Rb. Zeeland-West-Brabant 15 juli 2015, ECLI:NL:RBZWB:2015:4615.

[8] [8] Rb. Zeeland-West-Brabant 26 juli 2016, ECLI:NL:RBZWB:2016:4068.

Reageer op dit bericht

Recente artikelen

Recente reactie

Door: Benni de Jong

Dit is een helder en verduidelijkend artikel! Al roept Vladimir Poetin ook bij mij enige wrevel en gruwel op, voor het voortbestaan van een land als Rusland is hij mijns inziens onmisbaar, al laat zijn politieke uitvoering zeer te wensen over. Zijn voorgangers waren zéker niet het antwoord op deze post-communistische (groot?)macht! Gorbatsjov was té voortvarend in zijn progressieve beleid, terwijl de vrouwen betastende, immer dronken Jeltsin er een puinhoop van maakte. In de jaren negentig was Rusland dan ook een broednest van criminelen, die vrijwel ongehinderd hun gang konden gaan : het tekende de geboorte van de Russische mafia, die, inmiddels naar het Westen doorverhuisd, onuitroeibaar blijkt te zijn! Poetin, tenslotte, "het gesorg dat alles wir reg gekom het"... welnu, veel dan toch. Volgens mij wordt het weer tijd voor het herstel van de post-tweedewereldoorlogse Sovjet-Unie (of het eerdere tsaristische Russische Rijk), qua grondgebied en mensenmassa dan, om een voorlopig tegenwicht te kunnen bieden aan opkomende grootheden als China en India, en wie weet aan welke landen in Azië en mogelijk ook in Latijns-Amerika en Afrika nog meer, voor zover die zich in de nabije toekomst zullen komen aandienen om een stuk van de machtstaart in de wereld mee te verorberen... Ook voor de rest van het noordelijk halfrond, ons leefgebied, zal dit een steun blijken te zijn. Het puntje "Nederlandse-taalgebruik" is nog wat zorgelijk bij Chantal. Echter, de schrijfster is een jongedame van 20 lentes, die zich in de loop der jaren op dat punt nog wel verder ontwikkelen zal. Haar opmerkzaamheid en historische verwijzingen laten niets aan scherpte en zorgvuldigheid te wensen over. Ga zo door, mejuffrouw Van der Welde!

Door: Carola Leenders

Mooi artikel Kyra! Trots op je!

Door: Erna Smittenberg

"Smittenberg" uiteraard ...:.)

Uw browser is niet meer van deze tijd!

Update uw browser om optimaal van deze website (en vele anderen) te genieten Nu updaten!

×